In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond fruitteelt op commerciële basis en groeide de Beemster uit tot een belangrijk fruitcentrum. De vervanging van windmolens door stoomgemalen maakte dit mogelijk - fruitbomen kunnen namelijk slecht tegen een wisselende grondwaterstand. Vooral in de zuidoosthoek ontstonden toen veel fruitkwekerijen met hoogstamboomgaarden. Slechts enkele daarvan zijn overgebleven, hun hoogstambomen zijn vervangen door spillen. Hoogstamfruitbomen, inmiddels bejaard, staan nog wel in groten getale in de bongerds bij de boerderijen.