Tsjaikovski’s Symfonie nr. 6
Tsjaikovski dirigeerde de première van zijn Zesde symfonie in oktober 1893, negen dagen voor zijn onverwachte dood. Op dat moment werd hij gezien als de grootste Russische componist. Dit was een gelukkige tijd voor Tsjaikovski. Hij werd niet geplaagd door depressies, zijn artistieke leven bevond zich op een hoogtepunt - hij had net als erecomponist Carnegie Hall in New York geopend. Toch is het een symfonie die doordrenkt is met tragiek, vandaar wellicht ook de bijnaam 'Pathétique'. De scheve wals in het tweede deel en de climax aan het slot van het derde deel zijn voorbodes van het dieptreurige, in stilte eindigende slot.
Anastasia Kobekina speelt Dvořák
Vol passie, lyrisch en intens; zo zou je Anastasia Kobekina’s spel in Dvořáks Celloconcert kunnen beschrijven. De muzikale betrokkenheid en emotionele zeggingskracht van de jonge Russische cellist zijn groot en passen bij een stuk waarin liefde en heimwee doorklinken. Dvořák verhuisde ooit van Tsjechië naar New York om daar conservatoriumdirecteur te worden, maar werd verteerd door heimwee. In zijn Celloconcert hoor je niet alleen het verlangen naar zijn vaderland. In het tweede deel citeert hij het lievelingslied van zijn schoonzus Josefina. Eens was hij hopeloos verliefd op haar geweest. De liefde was niet wederzijds, en Dvořák trouwde met Josefina’s zuster.