Tekst door Kim van der Meulen

Wat maakt het Jordaan Festival zo leuk dat je er elk jaar weer optreedt?

‘Het heeft iets magisch. Zingen voor je eigen mensen, oude bekenden tegenkomen, het ons-kent-onsgevoel. Als Amsterdammer voel je dat je erbij moet zijn. Al is het in de loop der jaren wel veranderd: het begon als een echt Amsterdams feestje op de Elandsgracht, hartje Jordaan, maar doordat er steeds meer mensen van buiten de stad kwamen, is het verplaatst naar de Appeltjesmarkt. Een leuke locatie, maar dit festival hoort eigenlijk in de Jordaan.’

Jij komt ook van buiten de stad: je woont niet meer in Amsterdam, toch?

‘Klopt. Tot voor kort woonde ik in Diemen en nu verblijf ik in De Rijp, in zo’n villapark met vakantiewoningen. Heerlijk hoor. Ik ben geboren in de Kinkerstraat en woonde in mijn jeugd op verschillende plekken, van Osdorp tot Noord en West. Mijn ouders waren nogal van het verhuizen. Ik woonde met mijn vrouw op de Admiraal de Ruijterweg toen onze dochter Melanie – nu 28 – werd geboren; geen veilige plek om buiten te spelen. Diemen was dat wel en ik kon vanuit daar in een kwartier bij mijn zaak op de Reguliersdwarsstraat zijn als dat nodig was. Maar ik heb het café vier jaar geleden verkocht, dus ik heb in Amsterdam geen verplichtingen meer.’

Mis je de stad?

‘Soms, maar die kan ik opzoeken. Af en toe pak ik het scootertje en ga ik zo van de camping naar de stad, even bekenden zien of een broodje halen bij Van Dobben. Het Rembrandtplein vind ik niet meer zo leuk als vroeger: ooit was het een Amsterdams plein met Nederlandstalige livemuziek en gezelligheid, kroegje na kroegje. Nu is het druk en onbereikbaar met de auto. Zonde.’

Waar vind je nog het echte Jordaangevoel?

‘In Bolle Jan, in café Nol – al is dat een beetje een studentencafé geworden – en in Lowietje, dat is van een ver neefje van mij. Café De Twee Zwaantjes is ook een gezellig kroegje. Met livemuziek, dat hebben ze niet meer allemaal.’

Café Peter Beense heet tegenwoordig Bloemen Beppie. Kom je er nog weleens?

‘Nee. Ik kwam er de laatste jaren al minder en na de verkoop kon ik me niet in de bedrijfsvoering van de nieuwe eigenaar vinden, dus wilde ik niet dat het nog Café Peter Beense heette. Weet je, ik heb de zaak 27 jaar gehad, waarvan ik er twintig jaar dag en nacht heb gestaan. De laatste tien deed ik er zo veel ptredens naast, dat het me gewoon te veel werd. Vaak had ik twee, drie optredens op één avond en daarna ging ik nog naar de zaak om te werken. Als ik daar om twee uur ’s nachts aankwam, begon ik meteen te zingen, want dat verwachtten de mensen. Om half vijf was iedereen eruit en begon ik met opruimen. Ik wam dan om kwart voor zes ’s ochtends thuis. Dat ging lang goed, tot ik eens thuis op de bank zat, mijn vrouw aankeek en spontaan begon te huilen. Ik zei: ‘Dit gaat niet goed.’ Ik zat tegen een burn-out aan. In eerste instantie wilde ik met optreden én de zaak stoppen; ik was er helemaal klaar mee. Maar dat was geen ptie, ik moest een keuze maken. Het werd optreden. Ik had me al zo lang toegelegd op de zaak.’

‘Dag!’ roept Peter ineens naar een vrouw die gewapend met een iPhone naar hem toeloopt. ‘Ik maak even een foto van je, mag dat?’ vraagt ze. ‘Ja, tuurlijk!’ De vrouw legt aan haar vriendin uit dat Peter een beroemde Amsterdamse zanger is. ‘Van dat liedje Laat ze maar lullen!’ Tegen Peter: ‘Ze komt niet uit Amsterdam.’ Tijdens het interview wordt hij later nog twee keer op eenzelfde manier herkend en begroet.

Gebeurt dit je vaak?

‘Ja, ik ben niet onherkenbaar natuurlijk, haha. En ik ben een mensenmens, dat zijn niet alle artiesten. Sommigen voelen zich echt verheven boven andere mensen. Wie? Nee, daar ga ik niet over uitweiden. Ik denk altijd: ik moet ook gewoon piesen en poepen, dus ik hoor net zo bij de fans als bij de artiesten. Ach, de een kan er goed mee omgaan, de ander stapt na een optreden het liefst in zijn auto en is meteen weg.’

Hoe ben je ontdekt?

‘Ik vond het altijd leuk om te zingen en kwam in het weekend graag met mijn vrienden in café Bolle Jan. Beetje meedoen met Bolle Jan, beetje gek doen, hartstikke leuk. Op een gegeven moment viel op dat ik best lekker kon meezingen. René (Froger, red.), die toen nog achter de bar stond met zijn ouders, riep me naar voren: ‘Je moet even met m’n vader zingen!’ Vanaf dat moment zong ik er steeds vaker. Ook begon ik mee te doen aan talentenjachten, dan zong ik Waarom van Hazes. Ik dankte er zelfs mijn eerste horecabaan aan. Café ’t Hof van Holland op het Rembrandtplein bood me aan: als jij hier komt zingen, leren wij jou het horecavak. Kwam mooi uit, want ik kon toen nog niksin de bediening. Ik leerde er aandacht te krijgen van mensen die geen aandacht voor je hebben, mensen lezen en gedrag herkennen. Daar heb ik nu nog profi jt van: tijdens optredens in kleine zalen zie en hoor ik alles van het publiek en kan ik daarop inspelen.’

Zingen in de kroeg is één, maar hoe word je volkszanger?

‘Tja, zingen voor het volk doen veel artiesten, maar het ligt er maar net aan hoe je je repertoire brengt. Waar zing je over, breng je het geloofwaardig? Een levenslied moet een verhaal vertellen dat uit het leven gegrepen is, het moet echt kunnen gebeuren. Daar houd ik allemaal rekening mee als ik een plaat maak. Laat ze maar lullen gaat bijvoorbeeld over buren die je in de gaten houden en omgaan met de mening van anderen. En ik zing graag over m’n dochter. Mijn nieuwste single Het mooiste deel van mij gaat ook over haar, al is het zijdelings. Ik ben heel trots op haar. Ze heeft het café vier jaar gerund en heeft nu met haar vriend een restaurantje in Spanje, dat top loopt.’

Dat ondernemerschap heeft ze dus van jou.

‘Of van mijn vrouw, ik weet het niet. Ik heb haar wel altijd gezegd: als je het niet probeert, zul je nooit weten of het lukt. Verder is het een kwestie van door schade en schande wijs worden. Wat ikzelf door schade en schande heb geleerd? Niet te veel geld afgeven thuis, haha. Nou ja, dat je soms een risico moet nemen en ergens voor moet knokken. Met die insteek heb ik een mooie zaak opgezet, waarvan ik mijn brood goed heb kunnen verdienen.’

Ben je rijk geworden van het zingen?

‘Nou, ik kan er goed van leven, maar ben er niet rijk van geworden. Dat hoeft ook niet, want het is een hobby die m’n werk is geworden. Ik ben elke keer weer trots en dankbaar dat ik het nog steeds mag doen. Al 33 jaar.’

Is het levensliedgenre in al die jaren veranderd?

‘Het is populairder geworden. Toen ik net begon, had je in de scene misschien plek voor twaalf mensen. Af en toe ging er een tussenuit en kwam er weer een bij, maar het aantal werd nooit groter. Dat is nu verdubbeld. Uit al die muziekprogramma’s op tv zijn de laatste jaren veel artiesten voortgekomen en het is goedkoper en makkelijker geworden om een plaat uit te brengen. Als je vroeger een plaatje wilde maken, was je zo tienduizend euro kwijt. Tegenwoordig kun je voor 750 euro een plaatje maken: je neemt je nummers in een achterkamertje op met een digitale mengtafel, huurt twee uurtjes een studio om het af te mixen en klaar ben je. Maar uiteindelijk vissen we allemaal in dezelfde vijver en die blijft beperkt.’

Wie is de nieuwe Hazes?

‘Dat is de nieuwe Hazes. Ik had het nooit gezegd toen hij net met zingen begon, maar André junior is heel goed op weg. Hij is goed opgedroogd en maakt goede muziekkeuzes. Het is te hopen dat-ie net zo goed wordt als z’n pa. Iedereen kende hem en zijn muziek, hij verbroederde. Dat merk ik ook tijdens Holland zingt Hazes, waar ik elk jaar optreed. Als ik de eerste noot van zijn nummers daar inzet, hoef ik niet meer te zingen: iedereen zingt alles mee. En er wordt gehuild.’

Wordt er ook weleens gehuild om jouw nummers?

‘Ja, hoor. Toen ik in de studio Mijn kleine meid opnam, kreeg ik een brok in mijn keel. Ik realiseerde me dat ik blij mag zijn met mijn dochter en dat ze gezond is. Als ik dat nummer live zing, zie ik ook weleens een traan over de wangen van vaders in het publiek biggelen. Prachtig dat muziek zo kan raken, toch? Ik zeg het eerlijk: ik voel me niet lekker als ik heb opgetreden voor een stelletje dooien als publiek.’

Hoe rock-’n-roll is de scene; blijf je na afloop van een concert vaak wat drinken?

‘Ik blijf af en toe wel nazitten, maar drink geen druppel. Nooit gedaan ook. En ik rook ook niet. Of dat moeilijk is in mijn vak? Nee, hoor. Bij mij in de zaak werd altijd gedronken en gerookt, dat hoorde er gewoon bij. Daar heb ik geen problemen mee.’

Je hebt in de afgelopen jaren drie maagoperaties ondergaan. Hoe gaat het nu?

‘Ze zeggen weleens: rond en gezond, hè? Ik heb een maagverkleining en een darmomlegging gehad en een darm is ingekort, maar het hielp maar een beetje. Ik viel zestig kilo af en kwam weer tien, vijftien kilo aan. Nu is mijn gewicht stabiel, maar er gaat om een of andere reden niks meer af. Veel mensen hebben na zulke operaties problemen met het eten van vettigheid, suiker en koolzuur, maar ik niet. Ik kan iets minder eten, maar nog steeds alles. Ik leg me er maar bij neer, want een vierde operatie wil ik niet. Een maagoperatie is een hulpmiddel, geen wondermiddel.’

Waar ben je het meest trots op?

‘Op het gezinnetje dat ik gesticht heb, dat het me goed gaat en dat ik met iedereen kan opschieten. Ja, dingen die niet met werk te maken hebben. Dat is in de loop der jaren veranderd: vroeger was ik alleen met werk bezig. De eerste jaren van mijn carrière was ik ontzettend bezig een nummer 1-hit te scoren. Dat is nooit gelukt, maar ik heb geleerd dat het belangrijker is om gewoon lekker te werken. Er zijn genoeg nummers die iedereen kent, maar nooit op nummer één hebben gestaan, dat is toch ook succes? Tegenwoordig is mijn privéleven belangrijker. Vroeger paste ik mijn vakanties aan mijn werk aan, nu doe ik het andersom. In het begin van het jaar prik ik data en boek ik meteen tickets – ik heb een appartementje gekocht in Spanje, vlak bij mijn dochter. Keihard werken is leuk, maar je moet ook genieten.’ 

Dit interview is verschenen in de Uitkrant