Tekst en foto's door Bart van Oosterhout.

Zef Hemel houdt kantoor in de nieuwe UvA-campus aan het Roeterseiland. Een reusachtige glazen doos, waarvan het middelste gedeelte, de Brug, over de Nieuwe Achtergracht reikt. Hemel is zichtbaar ingenomen met die grootstedelijke werkplek. Terwijl we in de lunchruimte zitten, varen onder ons de plezierboten door de gracht, met zijn trapvormige kades waarop studenten van de zon genieten. Het is precies het soort ontwikkeling in Amsterdam die de geboren Drentenaar graag ziet: bedrijvigheid en ontspanning onlosmakelijk verbonden in een dichtbebouwde maar plezierige, open stad.

Hemel is hoogleraar grootstedelijke vraagstukken en is al sinds 2004 betrokken bij de ontwikkeling van Amsterdam. Eerst als planoloog en adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente, tegenwoordig in een vrijere rol bij de universiteit, van waaruit hij onvermoeibaar de stad blijft betrekken bij zijn toekomstvisie. Bijvoorbeeld door de discussie daarover gaande te houden via symposia en debat, zoals nu weer het vijfdaagse We Make the City-programma (zie kader). Hij is een idealist, maar wel een van de realistische soort. In zijn boeken beschrijft hij een metropool die veel groter is dan het Amsterdam als de gezellige grachtengordel-plus die wij allemaal in ons hoofd hebben. Onze stad gaat versneld groeien. Naar twee miljoen inwoners, om te beginnen. En wat Hemel betreft wordt die groei geaccommodeerd. Niet door nieuwe, slapende woonwijken te bouwen, maar door het Amsterdamgevoel over de regio te verspreiden. Hij pleit voor een compacte metropool.

Waar komt die fascinatie voor steden eigenlijk vandaan?

‘Ik groeide op in Emmen in Zuidoost-Drenthe. Die streek was in de jaren vijftig aangemerkt als ontwikkelingsgebied. Er kwam nieuwe industrie en onder leiding van de stedenbouwkundige Niek de Boer werd vanaf 1955 uit het niets een nieuwe stad gebouwd, volgens het concept van de open, groene stad. Ik was als kind gefascineerd door al die activiteit en liep al die bouwplaatsen af. Daar moet het begonnen zijn.’

En omdat u zo van grote steden houdt, ziet u nu een heel groot Amsterdam voor u.

Hij lacht, zakt achterover in zijn stoel en denkt na, met samengevouwen handen: ‘Nee, dat is niet mijn wens. Ik beschouw de stad als een levend organisme dat zijn eigen dynamiek heeft. Niemand heeft daar de controle over. Ook de burgemeester niet. Je kunt de poort niet sluiten en zeggen: nu is het genoeg, nu stoppen we met groeien. Want dan gaat het met je op de loop en vindt de groei vanzelf een uitweg op plekken waar je dat niet wilt. De stad is als een vulkaan. Soms slaapt-ie, zoals Amsterdam in de jaren dertig en de jaren zeventig. Maar nu is-ie wakker! En dan moet je aan de bak.’

Waarom is Amsterdam eigenlijk zo populair?

‘Amsterdam is een van de gaafste steden ter wereld. Gaaf in de zin van ongeschonden. Samen met Parijs is het een van de weinige steden die niet gebombardeerd zijn in de oorlog. Maar hier heb je zelfs nog een complete middeleeuwse stad, een soort cultureel Disneyland van de eerste orde. Zoiets heeft zelfs Parijs niet meer. En dat met Schiphol naast de deur! Die unieke combinatie maakt Amsterdam tot een van de geliefdste steden ter wereld. En als je dat hebt, móét je wel handelen. Dan kun je niet zeggen: we zien wel wat er gebeurt.’

Maar waarom nu? Die middeleeuwse stad is er al heel lang, en Schiphol ook.

‘Jawel, maar lange tijd geloofde niemand meer in deze stad. Amsterdam was in de versukkeling geraakt. Vanaf 1929, het jaar van de Olympische Spelen, werd er niet meer in geïnvesteerd. De crisis van de jaren dertig zorgde ervoor dat de stad verkrotte en dat bleef eigenlijk zo tot eind jaren zeventig. Het overheidsbeleid was tegen de steden gericht, alle aandacht ging naar het platteland, de nieuwe groeikernen in de provincie en nieuwe steden. De boodschap voor de Amsterdammers in de oude wijken was: ‘We geven het op. Als je een beter leven wilt, kun je verhuizen naar Hoorn of Purmerend of Almere.’’

Wat keerde het tij?

‘De krakers, vanaf de jaren zeventig, en ook wel de activistische monumentenzorgers. Die geloofden er nog wél in. Die vochten om hier te kunnen blijven. En langzaam zie je dan het besef bij andere groepen terugkomen dat die grote stad best leefbaar is. Langzaam, want de economie zat tegen. Pas vanaf halverwege de jaren negentig heeft Amsterdam zijn aantrekkingskracht weer terug. Schiphol maakte toen een enorme groei door en dat trekt hoofdkantoren en hogeropgeleiden, die niet dat fatalisme hebben van de oude generatie, naar de stad. En dán gebeurt het. De huizenprijzen beginnen enorm te stijgen, er stroomt meer geld de stad in, er wordt weer geïnvesteerd. Zo’n beetje in 2004 was de stad weer gerepareerd en begon de trek naar Amsterdam.’

Toch hebben we pas nu het gevoel dat de stad explodeert.

‘Het omslagpunt, als je het precies wilt vastpinnen, was 13 april 2013. De dag van de opening van het vernieuwde Rijksmuseum. En ook de oplevering van het Stedelijk, de bouw van EYE en de ontwikkeling van de IJ-oevers. Vanaf dat moment is de groei niet meer te stuiten. Het opmerkelijke is dat een jaar later Wim Pijbes (toen directeur van het Rijksmuseum, red.) al zei: ‘De stad wordt vies, vuig en vol.’ Haha. Een jaar nadat de stad weer overeind stond, was-ie vol.’

Maar terwijl de stad opbloeit, wordt er vooral geklaagd. Over de metro, de toeristen, de huizenprijzen

‘Hier en daar bestaat nog altijd het idee dat we Amsterdam kunnen houden zoals het was. In de Frans Halsstraat in De Pijp staat op een muur de leus ‘Wake me up when I’m famous’. Dat is de mentaliteit van Amsterdam: we laten het op ons afkomen. Maar zo werkt het niet. Je bent nú beroemd en rijk, dan moet je dus ook iets met al dat geld gaan doen. Dan moet je een verhaal hebben over hoe je die groei gaat vormgeven. Wat is je toekomstverhaal? Dat is de vraag die ik de stad wil stellen.’

En uw verhaal is: Amsterdam moet groeien.

‘Niet omdat ik zo van groei hou, maar omdat die groei zich voltrekt. Iedereen wil hier wonen. Waar gaan we die nieuwkomers huisvesten? Nu doen we dat veel te ongestructureerd. We geven de laatste vrije kavels uit en bouwen plukjes woningen: IJburg, Haven-Stad, het Zeeburgereiland. Maar dat is niet voldoende. In IJburg is één ontsluitingsweg en één tramlijn voor twintigduizend inwoners – en straks nog meer! Daar staat elke dag een fi le.’

Maar Amsterdam ís toch aan het bouwen?

‘Jawel, en op sommige plekken gebeurt dat ook heel goed, zoals bij de Spaklerweg. Maar het is te weinig. In de Structuurvisie 2040 waren we véél ambitieuzer. Amsterdam moet ook elke keer naar Den Haag om zijn hand op te houden. En dat is eigenlijk van de zotte. Het Rijk moet erkennen dat Amsterdam groter is dan de stad. Alles hier is van landsbelang.’

Er was een tijd dat we van dat grote Amsterdam een eigen provincie wilden maken.

‘Dat is allemaal heel ongelukkig gelopen. Het is goed dat Amsterdam met de omliggende gemeenten zelf een samenwerking is begonnen in de MRA (de Metropoolregio Amsterdam, een samenwerking van 33 gemeenten, waaronder Haarlem, Zaanstad en Almere, red.). Maar het Rijk is er niet op ingesprongen, waardoor dat orgaan nauwelijks bevoegdheden heeft. Het gevolg is dat het wonen zich als een olievlek verspreidt, tot ver buiten de metropoolregio. Met nog steeds een enorme schaarste in Amsterdam. En zo kookt de stad zelf over.’

Amsterdammers gaan het steeds verderop zoeken.

‘Tot in Rotterdam en Amersfoort en Ede-Wageningen. Maar veel mensen blijven wel economisch gebonden aan Amsterdam. Dus krijgen we te maken met een enorm verkeersinfarct. Het stomme is dat we dachten dat we met het aanleggen van veel asfalt de verkeersproblemen eindelijk de baas zouden worden. Maar het gevolg is dat we die keuze om verder weg te gaan wonen alleen maar gemakkelijker maken. Over die zes banen is het ’s morgens makkelijk naar Amsterdam rijden, maar we hebben nu al te maken met een verkeersinfarct rondom de stad. Dat gaat alleen maar erger worden.’

Dus we moeten veel meer in en rond Amsterdam gaan bouwen?

‘Ja, we moeten de medewerking van het Rijk krijgen om veel meer programma’s hier te realiseren, in en dicht bij de stad. En ons niet laten wijsmaken dat het ook gespreid kan. Met de volgende generatie Vinex-locaties gaan we het niet redden. Mijn stelling is dat we naar een verdubbeling van Amsterdam moeten. De dynamiek zit aan de zuidkant van de metropool, bij de Zuidas, dicht bij de luchthaven. Daar moet het straks gebeuren.’

Is dat niet al vol dan?

‘Nee. Nee. Daar liggen Buitenveldert en Amstelveen met heel veel groen aan alle kanten.’

Maar we willen ook nog wel een beetje groen behouden. Kan dat in uw visie?

‘Zeker. Dat kan nog steeds heel goed. Maar de aard van het groen gaat veranderen. Het wordt groen dat we ook echt intensief gaan gebruiken. Denk dan aan het Londense Hyde Park (ongeveer drie keer het Vondelpark, red.), dat is groot genoeg. Neem de Amstelscheg, het gebied rond de Amstel tussen Amstelveen en de Bijlmer. Dat is een van de gebieden die in de jaren dertig als groene buffer zijn aangewezen. Ik heb daar de kaart van New York overheen gelegd en dan zie je dat daar een compleet Central Park in verdwijnt (ongeveer zeven Vondelparken, red.). En dan is nog maar de helft van dat gebied, de rest zou je kunnen bebouwen. Of neem de Gooiseweg, van het Amstelstation tot in de Bijlmer. Daar zit enorm veel loze ruimte omheen. Daar zou je één lange groene Churchilllaan van kunnen maken met evenveel woningen als op heel IJburg.’

Er is dus veel ruimte. Waarom bouwen we daar niet?

‘Omdat we ons niet instellen op groei. Omdat we stiekem geloven dat we de groei wel kunnen tegenhouden. Dat gevoel loopt trouwens door de hele geschiedenis van Amsterdam en door alle politieke stromingen heen. De idealist Sarphati had grootste plannen om Amsterdam uit te breiden met een sociaal programma, maar hij kreeg geen toestemming om buiten de grachtengordel te gaan. Daarna kwam Van Niftrik, de stadsingenieur, met een uitbreidingsplan. Mocht ook niet. Men vond het grootheidswaan. Het werd hier toch nooit Parijs of Londen. En toen de groei eenmaal niet meer tegen te houden was, nadat Heineken zijn fabriek had gebouwd buiten de Singelgracht, kwam er alsnog een plan Kalff, maar dat was halfslachtig. Dat zie je aan De Pijp, die werd in no time volgebouwd met slechte woningen.’

Is er ergens in Amsterdam een voorbeeld van hoe het wel moet?

‘Ja, het Oostelijk Havengebied is heel goed gedaan: Borneo, Sporenburg, Java-eiland. Maar het resultaat vind ik een beetje dorps. Je zou vanaf nu wijken moeten bouwen in een veel hogere dichtheid. Want inmiddels weten we dat stedelijk wonen heel populair is. Maar dan moet je wel iets groter durven denken. Je zag dat in de discussie rondom de Sluisbuurt, het stukje Zeeburgereiland dat binnen de Ring wordt ontwikkeld. Daar zou voor het eerst echte hoogbouw met een woonbestemming komen, met woontorens van 143 meter, maar dat plan is alweer afgezwakt. Ik zou willen dat we gaan nadenken over de vraag wat góéde hoogbouw is. Niet alleen zeggen: dat willen we niet. Want dan overkomt het je en gebeurt het toch en dan ziet het er niet uit.’

Een van de argumenten was: die torenflats zijn heel duur, zie je wel, er wordt weer alleen gebouwd voor de rijken.

‘En die torens zouden veel slagschaduw geven en er zou weinig sociale samenhang zijn met de mensen bovenin en ze zouden erg duur zijn. Nou goed, dan bouw je goedkoper, maar die fietsbrug over het AmsterdamRijnkanaal wilde men ook niet. Ik begrijp wel dat je in een dorp wilt blijven wonen. Maar we moeten ook nadenken over hoe je de onvermijdelijke groei in goede banen gaat leiden.’

En het toerisme, wat doen we daarmee? Het angstbeeld dat opdoemt is dat van Venetië, waar nog maar zestigduizend mensen wonen; de rest is toerist.

‘Ja, zoals in Venetië moet het niet. Neem dan Londen. Daar zijn nog veel meer toeristen, maar daar stoort men zich er minder aan.’

Maar Londen is ook veel groter.

‘Precies! Dat is mijn punt. Die hele discussie over drukte wordt anders als je een maatje groter wordt. Mijn favoriete stad is Tokio, de meest organische stad die ik ken. Die plek verandert voortdurend. De gemiddelde levensduur van een gebouw is daar 26 jaar. De drukte is er gigantisch, maar niet storend. Want Tokio groeit mee met het veranderende gedrag dat mensen in een grote stad vertonen.’

De Amsterdammers hebben het gevoel dat de stad van hen is afgepakt. Ze dachten dat ze op een puinhoop woonden, die nu opeens goud waard blijkt.

‘Nou, het zijn deels de bewoners zelf die op grote schaal huizen opkopen. De rest heeft het gevoel dat het matje onder ze vandaan wordt getrokken en dat ze er nooit meer inkomen.’

Is de stad nog wel voor iedereen?

‘Jawel, maar – en dat heeft Wibaut destijds ook gezegd – niet overal heb je recht om te wonen. Dus hij zei: we geven Berlage de opdracht om een nieuw Amsterdam te bouwen. En dan zorgen we dat daar ook arbeiderswoningen in komen. Zo’n werkwijze is altijd heel normaal geweest. Toen de Jordaan werd aangepakt, gingen we arbeiderswoningen in Oost bouwen, in Betondorp bijvoorbeeld. Maar dan moet je wel politiek lef hebben. Dat had Wibaut.’

En zo zou het nu ook weer moeten gaan bij uitbreidingen?

‘Ja. We moeten goed nadenken over wat nodig is in die nieuwe stad. Huur voor midden- en lagere inkomens, maar ook dure woningen in woontorens, waarom niet? Destijds onder Berlage is ook tien jaar lang gesteggeld over hoe de verhouding tussen de sociale klassen nu precies moest. Er moest een Diamantbuurt komen met arbeidershuisjes, maar óók een statige Apollolaan. En, dat is misschien wel het belangrijkst: we moeten dat nieuwe Amsterdam bereikbaar maken. Metrolijnen aanleggen. En nieuwe parken maken. Zodat we kunnen zeggen: misschien kun je hier straks niet meer blijven, maar een eindje verderop wel en daar wordt het net zo waanzinnig leuk als hier. Je hoeft de stad niet uit, we maken hem groter.'

Dit interview is verschenen in de Uitkrant.