‘Ik ben opgegroeid in de Bijlmer. Rond mijn elfde begon ik met het zetten van tags. Gewoon, met een stiftje. Halverwege de jaren tachtig ging ik naar de grafische school. Ik struinde destijds veel over straat. In 1989 werd ik samen met een vriend veel gevraagd voor projectjes. Pieces op rolluiken, buurthuizen en winkels. We verdienden goed geld voor onze zeventien jaar. Op een dag mochten we alle rolluiken in Kraaiennest doen. We hadden afspraken gemaakt en ontwerpen ingeleverd. Het was hartje winter, súper koud. Ik droeg twee paar truien en drie paar sokken. We liepen rond met een winkelwagen tot de nok toe gevuld met spuitbussen. Je hoorde ons door de hele buurt: klang klang klang. De eerste nacht gebeurde er iets absurds. Ineens werden we ingesloten door meer dan honderd junks. Overal geduw en gedeal. De Bijlmer had destijds een enorm junkieprobleem. Het leek op de clip Thriller van Michael Jackson. Alsof er een putdeksel was opengetrokken en iedereen als zombies tevoorschijn kwam.’

Naakte mannen en rapmuziek
‘Ik maak nog steeds memorabele nachten mee. Van een naakte man met zijn broek op de enkels die copulerende bewegingen maakt met zijn gezicht naar de grond, tot mensen die een praatje willen maken over mijn werk. Eén ding is altijd gebleven: het middelpunt zijn maakt me ongemakkelijk. Dat merkte ik al in de jaren negentig tijdens exposities. Wanneer mensen mij vragen stelden liep ik liever de zaal uit. Het mooie van anoniem zijn is dat het je werk sterker maakt. Zoals bij de opkomende rapmuziek in de jaren tachtig. Er waren destijds geen videoclips. Zonder visueel beeld kon je zelf van alles invullen. Je wist dat die jongens uit Amerika kwamen, verder niets. Met dat idee in mijn achterhoofd, die anonimiteit, werk ik nog steeds.’


Foto: Laser 3.14

Eat my mind
‘Momenteel ben ik bezig met het project Eat my mind samen met Wouter Snel. Het wordt een poëzie muziek project. Daarvoor heb ik privé zanglessen genomen. Mijn docente helpt mij met mijn ademhaling en stemoefeningen. Ik zing nog niet voor publiek, maar wel in de studio. Aan het begin werd ik daar best nerveus van. Wat we willen ontwijken is de spoken word. Het valt meer onder pratend zingen wat ik doe. Het is een zang techniek, vertellend in een bepaalde toon.’

Subwerelden
‘In de winter ben ik minder onderweg dan in de zomer. ’s Avonds heb ik altijd een spuitbus in mijn tas. Ik ben wel eens in aanraking gekomen met de politie, maar nooit écht ernstig. Een keer, op het Rokin, kwam er een agent op me af. ‘O hey, jij bent die jongen die het op goede ondergronden doet. Ga maar door!’ Gelukkig wordt het wel geaccepteerd.’ ‘Wanneer ik de stad rondfiets ben ik mij ervan bewust dat zich achter al die gesloten deuren subwerelden bevinden. Wat gebeurt daar allemaal? Het is zo jammer dat iedereen eeuwig op zijn telefoontje staart. Echte interactie met de mensen betekent zo veel meer voor mij. Schrijven overigens ook. Ik heb een tijd gecorrespondeerd met Peter Pontiac, de illustrator. Ook ligt er een brief van Remco Campert bij mij thuis. Ik heb hem een tijdje terug gevraagd om een quote te schrijven voor mijn boek dat nog moet uitkomen.’

Street art Mekka
Of hij wensen heeft? ‘Ik zou graag een solo-expositie in het buitenland willen. In Londen, want dat is het street art Mekka, of New York. Als ik daar ooit mag exposeren, ben ik heel gelukkig. Mijn grote held Warhol heeft daar toch wel de toon gezet. Zelfs mijn zoontje is gek op hem. Een tijd terug kochten we een boek met zijn werk. “Uncle Andy! Uncle Andy!” riep hij de hele dag. Ik deed Warhol dan na, met dat typische stemmetje, hoog en schor. Daar moeten we samen gigantisch om lachen.’