Van gruwelen naar verwonderen

Onderkruipsels worden in de middeleeuwen geassocieerd met de dood en de duivel. Gedacht wordt dat ze spontaan worden geboren uit dood materiaal als mest, rottende plantenresten en modder. Op kunstwerken zijn slangen, padden en hagedissen een metafoor voor het kwaad en treden ze op als handlangers van de duivel.

Dit beeld verandert langzaam in de 15 de en 16de eeuw als kunstenaars oog krijgen voor de esthetiek van deze beestjes. Ze werden gezien als voorbeelden van de ‘Schoonheid van Gods schepping’. Duiken ze eerst op in de marges van middeleeuwse manuscripten, langzaamaan kruipen ze naar het centrum van het blad.

Het eerste kunstwerk waarop een insect het hoofdonderwerp is, is een tekening van een vliegend hert, gemaakt door Albrecht Dürer in 1505 (J. Paul Getty Museum, Los Angeles), een van de hoogtepunten in de tentoonstelling.

Voor de tentoonstelling lenen musea en privécollecties van over de hele wereld hun hoogtepunten, zoals recent ontdekte specimen op sterk water uit het wereldvermaarde kabinet van de 17de-eeuwse apotheker en zoöloog Albertus Seba uit Duitsland en Het hoofd van Medusa van Peter Paul Rubens (ca. 1617-18) uit Tjechië.