Eva Besnyö, opgegroeid in een Joods intellectueel gezin in Boedapest, volgt na haar eindexamen een fotografieopleiding bij József Pécsi. Na afronding vertrekt ze op twintigjarige leeftijd naar Berlijn (net zoals Kati Horna), waar ze in fotostudio’s het vak verder leert. Als zelfstandig fotograaf maakt ze portretten en reportages, en wordt ze door het linkse persbureau Neofot ingehuurd. De opkomst van het nationaalsocialisme in 1932 belemmert haar als fotograaf te werken en Besnyö besluit Berlijn te verlaten. Ze verhuist naar Amsterdam.

In Amsterdam werkt Besnyö voor kranten en persbureaus. In de studio maakt ze portretten en foto’s van kinderen. Buiten de werkplaats maakt ze reportages en fotografeert ze architectuur. Ondanks het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kan ze tot 1942 blijven fotograferen. Ze moet onderduiken, maar krijgt een vals persoonsbewijs waarop haar Joodse achtergrond niet staat vermeld.