Een meerkoppige slang!

De toen zo revolutionaire Cobra beweging is nu verankerd in de Europese kunstgeschiedenis. Daarin wordt Cobra voornamelijk geassocieerd met kleurrijke, expressief-spontane schilderkunst die nog lang invloed heeft gehad. Het Cobra Museum in Amstelveen laat met de tentoonstelling Cobra 70: Een meerkoppige slang zien dat CoBrA veel meer was dan die ‘vrolijke kleurrijke kunstbeweging’ die het voor het grote publiek geworden is.

De oprichters verschilden nogal in hun ideeën over de betekenis van Cobra. Voor sommigen ligt die betekenis inderdaad in Cobra’s bijdrage aan schilderkunstige ontwikkelingen, voor anderen in Cobra’s geest van absolute vrijheid en voor weer anderen in de samenwerkingen tussen de leden en de kruisbestuiving tussen dichters en schilders. Eén ding is zeker: over de betekenis van Cobra heeft nooit eensgezindheid bestaan. Het karakter van Cobra wordt misschien juist wel bepaald door de tegenstellingen en onenigheden tussen haar leden, iets wat Cobra haar vitaliteit verleende.

In deze tentoonstelling staan daarom de uiteenlopende, soms haaks op elkaar staande perspectieven op Cobra centraal. Deze dynamiek van tegenstellingen komt tot uitdrukking in de citaten op feestelijke vlaggen rondom de binnentuin. In de selectie, uit voornamelijk de collectie van het Cobra Museum, werken en archiefmaterialen ligt de nadruk op de periode dat de beweging officieel bestond, 1948-1951, maar er is ook werk opgenomen van eerdere en latere datum.

Uiteenlopende perspectieven op CoBrA

Vanaf de jaren 60, tien jaar na het uiteenvallen van de Cobra-beweging, verschenen kunsthistorische artikelen over Cobra in binnen- en buitenland. Het was de Nederlandse kunsthistorica Willemijn Stokvis die in 1974 het standaardwerk over Cobra publiceerde. Ze stelde dat de belangrijkste betekenis van Cobra te vinden was in de ontwikkeling van een bepaalde schilderkunstige stijl, een ‘Cobra-taal’. Deze ontwikkeling was al vóór Cobra bij de Deense experimentelen begonnen.

Cobra-oprichter en dichter Christian Dotremont maakte bezwaar tegen het idee van een ‘Cobra-taal’ en tegen het idee dat Cobra zich in een keurige rechte lijn vanuit de Deense schilderkunst had ontwikkeld. Hij was van mening dat Cobra op zichzelf stond. Cobra onderscheidde zich volgens hem door ‘inter-specialistische’ en ‘anti-specialistische’ kunstwerken, zoals de samenwerkingen tussen dichters en kunstenaars. Hij zag Cobra bovendien als iets dat nog steeds voortleefde. Dit bezorgde hem kritiek van Constant en Jorn, die de Cobra-beweging zagen als een experimenteel onderzoek dat nu was afgesloten.

In het begin van de jaren 80 stelde Constant dat als er van een Cobra stijl gesproken zou moeten worden, die te vinden zou zijn in de gezamenlijke werken, zoals Dotremont had benadrukt. Met Stokvis zijn ze het allebei dan nog steeds oneens. In 1988 wees kunsthistoricus Graham Birtwistel op het enorme belang van de dynamiek van tegenstellingen van de Cobra-groep, net als de Deen Troels Andersen al in 1961 al gedaan had. De betekenis en het unieke van Cobra was te vinden in de vitaliteit die dit opleverde. Kunsthistorisch gezien zou er te weinig belang zijn gehecht aan deze tegenstellingen en de theoretische kant, en juist teveel aan de materiële kant van verf en doek.

Nu, 70 jaar na het begin van de beweging, kunnen we concluderen dat Cobra een veelkoppige slang was met meerdere stemmen. Dit heeft uiteenlopende, soms haaks op elkaar staande perspectieven op Cobra opgeleverd, ook in de geschiedschrijving. Sommige stemmen zijn meer, en andere minder gehoord. In deze tentoonstelling komen de belangrijkste aan bod.