Jonge jaren

Op 15 juli 1606 te Leiden werd Rembrandt Harmenszoon van Rijn geboren als negende kind van Harmen Gerritszoon van Rijn en Neeltgen Willemsdochter van Zuijtbrouck. Zijn moeder was de dochter van een bakker en zijn vader een molenaar, waardoor de familie als welgesteld werd beschouwd voor die tijd.

Ondanks dat er maar weinig bewijs is dat Rembrandt lid was van een kerk, weten we wel dat religie een grote rol speelde in zijn opvoeding en was dit een belangrijk thema in zijn werk. Zijn vader was gereformeerd en zijn moeder was rooms-katholiek. Alle kinderen van Rembrandt zijn gedoopt in Gereformeerde Kerken.

Rembrandt ging naar de Latijnse School voordat hij kort aan de Universiteit van Leiden studeerde. Echter werd zijn interesse voor schilderen al vroeg duidelijk en ging hij in de leer bij de Leidse historische schilder Jacob van Swanenburgh, waar hij drie jaar lang zijn ambacht leerde verfijnen. Daarna bracht hij ook zes leerzame maanden door met de Amsterdamse Pieter Lastman en nog eens een paar maanden met Jacob Pynas. Volgens wethouder Simon van Leeuwen was Rembrandt ook in de leer bij de schilder Joris van Schooten.
Het begin

Rond 1624 opende Rembrandt een studio in Leiden en in 1627 accepteerde hij de eerste studenten. Constantijn Huygens, een staatsman en de vader van wis-, natuur- en sterrenkundige Christiaan Huygens, werd een belangrijk figuur voor Rembrandt in 1629. Deze connectie zorgde er namelijk voor dat prins Frederik Hendrik opdracht gaf voor een aantal werken van Rembrandt. Hoewel hij sterk beïnvloed is door Italiaanse schilders, heeft Rembrandt nooit een stap buiten Nederland gezet.

Verhuizen naar Amsterdam

Rembrandt verhuisde in 1631 naar Amsterdam. Deze stad bloeide als een van de regio’s meest bruisende culturele en financiële centra. Hier kwam zijn carrière als professioneel portretschilder echt in de lift, met welvarende kooplieden uit Amsterdam en heel Europa als klanten. Zijn grootste bron van inkomsten waren privé-opdrachten, kunsthandel en lesgeven.

In 1634 trouwde hij met Saskia van Uylenburgh, de nicht van zijn kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh. Dit was een vruchtbaar jaar; hij werd toegelaten tot het schildersgilde en werd een afgevaardigde van Amsterdam. Ook nam hij de leerlingen Ferdinand Bol en Govert Flinck onder zijn hoede, die beiden belangrijke kunstenaars zouden worden.

Rembrandt en Saskia verhuisden in 1635 naar de hippe Nieuwe Doelenstraat. Drie jaar later verhuisden ze echter alweer naar een nieuw, eigen huis in de Joodse buurt, wat later Museum Het Rembrandthuis zou worden. De hypotheek van dit huis wordt vaak gezien als de hoofdoorzaak van de latere financiële problemen. Ondanks voldoende inkomen had Rembrandt vanwege zijn uitgaven en slechte investeringen zijn hele leven geldproblemen.

Maar niet alleen op financieel vlak ging het moeizaam, ook zijn gezinsleven was overschaduwd door verdriet. Zijn zoon Rumbartus stierf in 1635 als twee maanden oude baby, dochter Cornelia stierf in 1638 al slechts drie weken na geboorte en in 1640 stierf nog eens een dochter na een maand. Hun enige kind dat volwassen werd was Titus, geboren in 1641. Saskia overleed echter al een jaar na zijn geboorte toen zij 30 jaar oud was, waarschijnlijk aan tuberculose. Tekeningen van Saskia op haar sterfbed worden vaak beschouwd als Rembrandts meest ontroerende werken.

Tijdens Saskia’s ziekte werd Geertje Dircx aangenomen als Titus’ verzorger en verpleegster. Later werd zij ook Rembrandts geliefde, maar deze relatie ging al snel bergafwaarts toen Geertje hem aanklaagde wegens verbroken huwelijksbeloften en hij haar vervolgens in een tuchthuis liet opsluiten.

Hendrickje Stoffels kwam in de late jaren ’40 in beeld, eerst als Rembrandts dienstmeisje, maar later ook als zijn geliefde en vervolgens moeder van zijn kind Cornelia, geboren in 1654. Opnieuw was er drama met Hendrickje die een officiële berisping kreeg van de Gereformeerde kerk, omdat ze “in hoererij” zou leven met Rembrandt. Titus was Saskia’s enige erfgenaam en in haar testament stond dat Rembrandt alleen bij het geld van hun zoon kon als hij nooit opnieuw zou trouwen. Dit zou kunnen verklaren waarom hij nooit met Geertje of Hendrickje is getrouwd.

Financiële problemen

Rembrandt bleef boven zijn stand leven. Als fanatiek kunstliefhebber kocht hij schilderijen van Oude Meesters, afgietsels van Romeinse sculpturen en zelfs Japanse wapenuitrusting en andere Aziatische objecten voor zijn verzameling. In 1656 ging hij failliet en verkocht hij een groot deel van zijn collectie, maar de prijzen hiervan vielen nogal tegen. Zijn financiële problemen werden nog erger toen hij gedwongen werd om zijn huis en drukpers te verkopen. Behalve het Amsterdamse schildergilde, dat zijn mogelijkheid om als schilder te handelen beperkte, bleven zijn schuldeisers wel achter hem staan.

In 1660 startten Hendrickje en Titus een bedrijf als kunsthandelaars zodat Rembrandt de regelgeving van het gilde kon omzeilen. Met Rembrandt als werknemer werd het bedrijf ingeschakeld om het werk voor het nieuwe stadhuis af te maken nadat de vorige kunstenaar, Govert Flinck – een van Rembrandts eerdere studenten – was overleden. Dit werk werd afgewezen, maar Rembrandt bleef wel portretaanvragen en studenten aannemen.

Innovatieve leerstijl

Rembrandt heeft gedurende zijn hele carrière lesgegeven, van zijn jonge jaren in Leiden tot aan het einde in Amsterdam. Er wordt geschat dat hij minstens 40 studenten had, maar waarschijnlijk zo’n 50, die allemaal collegegeld aan hem betaalden. Hoewel zijn benadering vrij traditioneel was, leidde zijn natuurlijke nieuwsgierigheid tot innovatie in zijn eigen werk, wat hij vervolgens weer aan zijn studenten doorgaf.

Het einde van zijn leven, het begin van een legende

Hendrickje overleed in 1663, gevolgd door Titus in 1668. Rembrandt overleed op 63-jarige leeftijd als een arme man op 4 oktober 1669 in Amsterdam. Zoals gebruikelijk in die tijd, werd hij in een onbekend graf in de Westerkerk begraven. Er is geen twijfel over mogelijk dat Rembrandt een van de grootste schilders is die deze aarde heeft gekend. Zijn grensverleggende werk heeft een onuitwisbare indruk achtergelaten op een generatie van kunstenaars.