Mozart Requiem in d-moll (KV 626)

In de zomer van 1791 krijgt Mozart bezoek van een geheimzinnige boodschapper. Deze vraagt hem voor zijn meester een requiem te componeren. De naam van de opdrachtgever moet onbekend blijven. Deze opdracht is naast een welkome bron van inkomsten ook een kans voor Mozart zich voor te bereiden op een terugkeer naar de kerkmuziek; de positie van kapelmeester aan de kathedraal van Wenen is hem al toegezegd.

Terwijl het Weense publiek zijn opera de Zauberflöte enthousiast ontvangt, wordt Mozart ziek. Zijn vrouw Konstanze vertrouwt hij toe dat het requiem wel eens zijn eigen dodenmis zou kunnen worden. Fantasievolle interpreten beweren later dat Mozart de donker geklede man als boodschapper van de dood heeft gezien. Op 5 december overlijdt hij. De dag ervoor repeteert hij nog zijn requiem en zingt het mee vanuit zijn ziekbed. Maar de compositie is nog niet af…

Lacrimosa, dies illa, die dag vol tranen. Dat zijn de woorden waarop Mozart zijn laatste maten muziek componeert. Konstanze, dringend om geld verlegen, vraagt Mozarts leerling Franz Xaver Süssmayr het requiem te voltooien. Het geeft generaties musicologen studiestof: welke delen zijn van Mozart en welke van Süssmayr? Het geeft ons de kans te genieten van een onbetwist meesterwerk.