Schubert, Stravinsky, Bartók

Gustavo Gimeno opent het concert met Schuberts Ouverture ‘Rosamunde’. Het toneelstuk waarvoor het oorspronkelijk geschreven werd, is in de vergetelheid geraakt, maar Schuberts ouverture groeide uit tot een publieksfavoriet. Zo’n honderd jaar later ontstonden twee hoogtepunten van de twintigste-eeuwse balletmuziek. In 1920 baarde Stravinsky opzien met zijn ballet Pulcinella, een van de eerste werken waarin hij expressiviteit en modernisme verruilde voor een lichtvoetige stijl die teruggreep op de achttiende eeuw, in dit geval de dansante muziek van Pergolesi. Bartók baseerde zijn balletpantomime De houten prins op een sprookje van Béla Balász. Wegens de gigantische bezetting wordt het zelden uitgevoerd, maar ook in de suites kunnen alle secties van het orkest schitteren.