Het herderinnetje Bastiënne komt Joris te hulp als hij van zijn witte paard valt en wordt dan verliefd op hem. Een maarschalk vertelt het volk over de prinsessen-verkiezingsdag in het kasteel waar de koning alle bijzondere meisjes ontvangt. Niemand blijkt hij echter bijzonder genoeg als bruid voor zijn zoon te vinden. Daarom gaat hij zelf op pad en ontmoet Olivier, die verzint dat zijn dochter Bastiënne goud kan spinnen uit stro. Opgetogen laat de koning het meisje alleen in een kamer met stro en een spinnewiel. Bastiënne wordt verrast door een aardmannetje dat het goud voor haar spint in ruil voor haar halsketting. De volgende dag brengt de koning meer stro en geeft zij het mannetje haar armband. De hebzuchtige koning wil nog meer goud en stuurt zijn soldaten eropuit om al het stro uit het hele land te verzamelen, zelfs het stro uit de stallen en van de daken van de armste huisjes. Omdat het meisje niks meer heeft om het aardmannetje te geven, zag hij zijn loon over een jaar wel komen halen, maar dat moet dan wel haar allergrootste schat zijn. Verrukt is zij als blijkt dat Joris de koningszoon is waarmee zij mag trouwen. Een jaar later wordt er een kindje geboren, maar hun geluk wordt verstoord door het aardmannetje dat zijn loon opeist. Hij neemt alleen genoegen met de baby, de grootste schat. Maar als de prinses en de baby heel hard huilen, krijgt het mannetje medelijden en geeft haar nog één kans. Als ze zijn naam kan raden mag ze haar kindje houden. Uiteindelijk verraadt hij zelf zijn naam aan de kinderen, die natuurlijk de wanhopige prinses graag een handje helpen. Repelsteeltje, zoals hij heet, verliest dan zijn kracht en verdwijnt van woede in de grond en verandert in een prachtig plantje. Maar ook al het goud verandert weer in stro en de verontwaardigde koning ontdekt dat goud eigenlijk maar saai is en merkt dat een goede vriend in het leven veel belangrijker is en die vriend is zijn hofaap Oscar.

En zo wordt de koning van zijn hebzucht verlost.