Aan het Spaarne

Een bezoek aan Haarlem voelt alsof je even terug in de tijd stapt. De Gouden Eeuw in, om precies te zijn. De zeventiende eeuw was voor Haarlem een periode van enorme welvaart, en dat is nog steeds goed te zien. 

Dé periode van bloei voor Haarlem mag dan de Gouden Eeuw zijn geweest, het verhaal van de stad begint al veel eerder. Haarlem wordt voor het eerst genoemd in een document uit de tiende eeuw, toen nog als nederzetting met drie boerderijen. In 1245 kreeg het stadsrechten van Willem II. Vanaf dat moment ging het snel: aan het eind van de middeleeuwen was Haarlem een van de belangrijkste steden van Holland geworden. Dat kwam voornamelijk door de ligging aan de rivier Spaarne en de locatie in het land: de stad ligt op een smalle strip land net boven de zeespiegel, de strandwal, die Leiden en Alkmaar met elkaar verbindt. Een belangrijke handelsroute dus. Haarlem vergaarde een hoop rijkdom door tol te eisen van de reizigers die op die weg langs de stad kwamen.

Een stad in puin

In 1572 koos Haarlem in de Tachtigjarige Oorlog partij voor Willem van Oranje en keerde zich tegen de Spaanse koning. Aan het eind van dat jaar begon de belegering van de stad door de Spanjaarden, even daarna gaf de stad zich over. Drie jaar later vertrokken de Spanjaarden uit een stad die in puin lag, door plunderingen en een grote brand in 1576. 

Hollandse Renaissance-architect Lieven de Key, in 1592 benoemd tot stadsarchitect, kreeg als opdracht de halve stad te herbouwen. Zijn stijl zie je overal terug, maar zijn meest beroemde bouwwerken zijn de iconische Vleeschhal op de Grote Markt, de Waag, delen van het stadhuis en ook de façade van de hoofdzaal van het Frans Hals Museum (al is dat nooit officieel bevestigd).

De Gouden Eeuw

Toen de heropgebouwde stad eenmaal in rustiger vaarwater verkeerde, zagen veel Vlamingen en Fransen hun kans schoon en trokken naar Haarlem. Het aantal inwoners groeide binnen vijftig jaar van 18.000 naar 40.000, wat Haarlem tot een van de grootste steden van Holland maakte. De economie werd voor een groot deel gedragen door de textielnijverheid, mede mogelijk gemaakt door de Fransen en de Vlamingen, maar ook door de boekdrukkunst en de tulpenhandel. In de zeventiende eeuw, toen de tulpenmanie op zijn hoogtepunt was, kon een tulpenbol net zoveel opleveren als een grachtenpand. De rijke burgerij van Haarlem werd steeds welvarender en stopte zijn geld maar al te graag in kunst. Dat trok schilders aan en al snel werd Haarlem een echte schildersstad met een grote artistieke gemeenschap. Geïnspireerd door de schoonheid van de stad maakten schilders kunstwerken die tot de meest innovatieve en iconische werken uit de Gouden Eeuw behoren. 

Een van deze kunstenaars was Frans Hals, zoon van Vlaamse immigranten die in 1584 naar Haarlem verhuisden. Hals groeide uit tot een van de belangrijkste kunstenaars van de Gouden Eeuw, vooral bekend om zijn portretten van Haarlemse burgers. Veel van zijn werk is nu te zien in het Frans Hals Museum. Frans Hals bleef in Haarlem tot zijn dood in 1666. Hij werd begraven in de St. Bavokerk aan de Grote Markt, waar zijn graf nog steeds kan worden bezocht. 

Musea en kerken

De lange en rijke geschiedenis van de stad heeft ervoor gezorgd dat Haarlem bomvol cultuur zit. Je vindt er talloze musea, monumentale gebouwen, kathedralen en hofjes. Naast het Frans Hals museum, dat bestaat uit de locaties Hof en Hal (beide iconische gebouwen), is er het Teylers Museum. Het oudste museum van Nederland werd in 1778 gesticht als boek en konstzael – een openbare gelegenheid voor kunst en wetenschap – en is genoemd naar Pieter Teyler van der Hulst, een rijke Haarlemse fabrikant en bankier. Als aanhanger van de Verlichting had Pieter Teyler een voorliefde voor kunst en wetenschap en na zijn dood liet hij zijn verzameling en vermogen na aan de Teylers Stichting. Achter het woonhuis van Pieter Teyler werden zijn boeken, natuurkundige instrumenten, tekeningen, fossielen en mineralen tentoongesteld. Het was een revolutionair initiatief, dat paste bij de idealen van de Verlichting: een kennisinstituut door en voor burgers waar de wereld ontdekt kon worden zonder dat de kerk of de staat zich ermee bemoeide. In de eeuwen daarna werd het museum continu uitgebreid en het museum telt nu twaalf tentoonstellingszalen, waar je een keur aan objecten kunt bewonderen: van natuurkundige instrumenten zoals de grote elektriseermachine uit de achttiende eeuw, fossielen, schilderijen en tekeningen (onder meer 25 originele tekeningen van Michelangelo), tot munten en penningen. 

Naast de musea, waarvan er veel zijn in Haarlem, zijn er ook de kerken en kathedralen. De Grote Kerk, of Sint Bavokerk dateert uit de veertiende eeuw, met verschillende aanpassingen en restauraties door de eeuwen heen. De kruiskerk staat midden in het oude centrum van de stad, op de Grote Markt. De kerk behoort tot de 'Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg' uit 1990.