Stadsontwerpers

Wat hebben populaire Amsterdamse horecazaken als Bar Bukowski, Bar Botanique, The Roast Room, Waterkant, Visaandeschelde, de Biertuin en de Kanarie Club met elkaar gemeen? De ontwerpen komen uit de koker van Studio Modijefsky, een ontwerpbureau in het centrum van Amsterdam. Het team dat uit zes vrouwen bestaat is daar dag en (als het moet) nacht druk in de weer met ontwerpen, schetsen, het kiezen van materialen en het aansturen van aannemers. Op dit moment wordt er met een klein team aan zo’n vijf verschillende ontwerpprojecten gewerkt.
‘Weet iemand hoe het ook alweer zit met die lampjes?’ Eigenaar Esther Stam (37) kijkt vanachter haar beeldscherm vragend de witte studio in. Vijf koppen kijken op hun beurt om. ‘Even opzoeken hoor,’ roept interieurarchitect Natalia Nikolopoulou. Wat volgt is driftig getik. Het is spitsuur in de studio, al doet de zoetgevooisde stem van de singer-songwriter die op de achtergrond klinkt anders vermoeden. Vandaag moet een conceptontwerp af voor een verbouwing van een horecagelegenheid die nog niet genoemd mag worden. En dat is nog wel even zwoegen, met nog een half uur op de klok. 

Thee-tic

‘Kijk.’ Projectmanager Sophie van der Heijningen wijst naar haar beeldscherm. ‘Voor elke opdrachtgever maken we een conceptontwerp, dat doen we altijd in de vorm van een magazine. Hierin verwerken we zoveel mogelijk: input van de opdrachtgever, onze eigen ideeën en al het onderzoek dat we hebben gedaan naar bijvoorbeeld de natuurlijke lichtinval en de historie van het pand – alles wat maar te vinden is. Zo werken we voor deze pitchpresentatie aan een concept gebaseerd op reizen.’ Ze scrolt door talloze plaatjes van verre oorden, klikt, en schenkt zichzelf een kop thee in uit een enorme witte thermoskan. Diezelfde kan staat op alle bureaus. Sophie: ‘Dat is een beetje onze tic. We drinken hier liters thee.’
De conceptboeken van geklaarde klussen staan keurig uitgestald bij de entree van de studio. Wie er één openslaat, ziet hoe de horecazaken allemaal from scratch zijn opgebouwd. Waar in het boek van Waterkant direct duidelijk is dat het een broeierige, tropische zaak moest worden, losjes geïnspireerd op Paramaribo, wordt in het boek van de Kanarie Club duidelijk hoe precies de ontwerpers te werk zijn gegaan. Pagina voor pagina wordt een grafisch vormgeven tramstel ‘gestript’, tot alleen het houten bankje overblijft. Wie weleens in de Kanarie Club in de Foodhallen – een voormalige tramremise – is geweest, zal de houten trambanken direct herkennen. Die staan rechts, in de hoek, tegen de muur aan. Of een klant ooit zo’n conceptontwerp geweigerd heeft? Esther: ‘Nee, dat is nog nooit gebeurd. Maar ze hebben meestal wel tijd nodig om de ideeën te laten bezinken. Dat is ook waarom wij worden ingehuurd: om iets te ontwerpen dat verder gaat dan hun eigen verwachtingen.’ 

Vijf keer uitspreken

Sinds de oprichting van Studio Modijefsky in 2009 hebben Esther en haar team niet stilgezeten. Ze hebben zo’n 27 projecten in Amsterdam en daarbuiten aangepakt. Van kop tot staart; veel onderdelen van een ontwerp worden helemaal op maat gemaakt. En daarmee is de studio niet onopgemerkt gebleven. Studio Modijefsky wordt in binnen- en buitenland geroemd om zijn bijzondere, eclectische ontwerpen, wars van clichés en met een flinke scheut lef. Esther: ‘We proberen altijd ruimtes te ontwerpen die passen binnen de context van het concept en het pand. Als je al onze ontwerpen naast elkaar legt, zie je overeenkomsten in vormentaal, materiaalgebruik en in sommige gevallen bold statements. Maar elke plek staat ook volledig op zichzelf. Daarnaast zoeken we graag de grenzen van materialen op; hoe kunnen we een materiaal op een nieuwe manier gebruiken of bewerken waardoor het een andere uitstraling krijgt?’
Esther studeerde aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Nadat ze drie jaar voor een interieurarchitectuurbureau in Rotterdam gewerkt had, was de tijd rijp voor een eigen ontwerpstudio. Over de naam van de studio hoefde Esther niet lang na te denken. ‘Ik wilde een studio met een naam die eigen was, maar niet mijn eigen naam. Modijefsky is de achternaam van mijn oma en ik wilde die naam als kind altijd graag zelf hebben. Veel dragers van die naam zijn in de Tweede Wereldoorlog gestorven, en daarmee is ook de naam een zeldzaamheid geworden. Wanneer mensen het moeten schrijven of uitspreken, is het wat onwennig. Hoe spreek je het precies uit? Na vijf keer gaat het meestal goed en blijft-ie hangen.’ Of oma Modijefsky het nog heeft meegemaakt? ‘Jazeker, het prille begin. Ze vond het wel bijzonder en zei gekscherend: “Nou, dan moet het wel een succes worden.”’

Metrotegels

Dat succes is inmiddels een feit. Maar voor hoelang? In een tijd waarin trends verdampen nog voor je tot tien kan tellen, begeven ondernemingen met uitgesproken concepten zich op glad ijs. Hoe lang blijven ze aantrekkelijk? Esther vindt het lastig daar uitspraken over te doen. ‘Ik denk dat we te kort actief zijn om te ondervinden of onze ontwerpen de tand des tijds overleven. Ik ben heel benieuwd naar hoe ik over tien jaar naar ons werk kijk.’ Ze vervolgt: ‘Al denk ik dat bijvoorbeeld Bar Bukowski, uit 2013, zich wel heeft bewezen. Ja, je vindt er schoolstoeltjes en metrotegels – die zie je nu overal en zou ik niet meer zo snel gebruiken in een ontwerp. Die elementen zijn bepalend voor de tijd waarin het gebouwd werd en op een bepaalde manier zijn ze nu gedateerd. Maar ik denk dat het interieur toch blijft staan omdat het op maat gemaakt is, het past als een handschoen. We hebben de zaak met veel zorg ontworpen en elk detail is doordacht. Het ontwerp is niet gebaseerd op de materialen van dat moment, maar op een karakter – de schrijver Charles Bukowski. De op maat gemaakte typemachinelamp (abstracte stalen armaturen in de vorm van typearmen) boven de bar is tijdloos; en iconisch voor het interieur.’

950 m2

Esthers telefoon begint te piepen. ‘De groeps-chat.’ Ze grinnikt. Het is niet zomaar een groeps-chat, maar een bericht in een specifieke appgroep voor een specifiek project. Wie het werk van Studio Modijefsky kent, weet dat geen ruimte er hetzelfde uitziet. Zo staat het ietwat sobere Piet de Gruyter in schril contrast met het bombastische Bar Botanique en is de Biertuin weer van een héél ander kaliber. Om over de airsidebus naar Schiphol nog maar niet te spreken; ook werk van de studio. Maar als je één lijn moet trekken, dan is het wel dat Esther zich overal tegenaan bemoeit. Van eerste schets tot uiteindelijke uitwerking. Zo heeft menig project ook een eigen WhatsApp-groep, waarin druk wordt overlegd. Nu gaat het over de laatste hand die gelegd gaat worden aan het restaurant van het Student Hotel in Maastricht. Een groot project, van zo’n 950 m2. Esther: ‘Geloof me, WhatsApp en FaceTime zijn cruciaal bij dit soort projecten. Het is heel makkelijk communiceren als je onverwachte dingen tegenkomt in de bouw. Een foto of filmpje zegt vaak meer dan honderd woorden.’ 
Een hotel-restaurant in Maastricht, dat is een keer géén Amsterdam. ‘En dat vind ik wel fijn,’ vertelt Esther. ‘Toen ik de studio in 2009 oprichtte, had ik nooit verwacht de kans te krijgen om zoveel ruimtes in Amsterdam onder handen te nemen. Dat is te gek, maar ik vind succes ook lastig. Ik ben bang voor het omslagpunt dat mensen gaan zuchten als er “wéér” een zaak in Amsterdam opent die door Modijefsky is gedaan. Het moet niet gaan vervelen. Het voelt goed om ook buiten stads- en landsgrenzen te werken. Wat dan wel jammer is, is dat ik niet meer even op mijn fiets naar een project toe kan.’

Babyroze biggetjes

Waar wél regelmatig naartoe wordt gefietst, is de Fiction Factory in Noord, de interieurbouwer waar Esther en haar team veel mee samenwerken. Hier wordt zowat alles voor Studio Modijefsky gemaakt: van stalen boogconstructies tot marmeren tafels en felgekleurde bankstellen. Dat is dan ook precies de reden waarom Esther graag met ze in zee gaat: er is bijna niets waar deze bouwers voor terugdeinzen. Vanmiddag gaat Esther samen met ontwerper en projectmanager Moene van Werven kijken hoe het staat met de laatste ontwikkelingen van het CityHub Hotel in Rotterdam en het hotel-restaurant in Maastricht, die beide binnenkort openen. ‘Is dit de nieuwe sample? Vet.’ Esther loopt af op een spiegel die staat uitgestald in het kantoor van de Fiction Factory. ‘Het is toch iets anders geworden dan jullie wilden,’ verontschuldigt Hade van Fiction Factory zich. ‘Als je het gaat schuren krijg je echt niet dat effect wat je voor ogen had. Loopt het harder over.’ ‘Hmm,’ mompelt Esther. Ondertussen is Moene in de weer met de zeepdispensers die net zijn binnengekomen en checkt ze of de ijsblokjesmachine wel past binnen het ontwerp van de bar. ‘Weet je zeker dat we daar niet een leuk houten randje omheen kunnen bouwen?’
Niet veel later staan de ontwerpers tussen de stoffen. Miranda van de Fiction Factory legt daar de laatste hand aan een van haar ‘biggetjes’, kleine, stevige babyroze kussens van leer die straks als ruggetjes dienen van hoge krukken in één van de twee hotels. Dit is nog een sample, voor vrijdag moeten er zeker veertien klaarliggen. Esther kijkt verrukt op als ze drie verschillenden soorten geel leer ziet liggen. ‘Yes! Dit bedoelde ik! Doordat de kleuren net niet bij elkaar passen, past het juist wel.’ Miranda kijkt tevreden toe. ‘Dat is het leuke aan deze ontwerpers. Ze kiezen altijd voor bijzondere ontwerpen en materialen. Dat maakt het voor ons ook te gek. Goed, ik ga weer verder met mijn biggen.’

Zwembad

Een opening van een zaak, zoals straks in Maastricht, is voor Esther altijd een spannend moment. Zo zie je alles wat gebouwd is samenkomen, terwijl het hier in de Fiction Factory nog als een soort puzzel in de ruimte verspreid ligt. En dan zie je eindelijk hoe zo’n ruimte door de gasten wordt gebruikt. Esther: ‘Zo bouwden we in de Kanarie Club letterlijk een pool bar, een leeg zwembad op hoogte, als knipoog naar de krakers die vroeger in de tramremise een met regenwater gevuld zwembad hadden gemaakt. Dat verhaal doet er natuurlijk niet toe als je daar een kopje koffie komt drinken, maar het is voor ons een kapstok waardoor we uitgesproken ideeën kunnen ontwikkelen. Het zwembad wordt gebruikt als zitmeubel van de cocktailbar, maar ik had nooit verwacht dat het overdag bevolkt zou worden door grote hoeveelheden kinderen die het bad gebruiken als klimmeubel, wanneer hun ouders een kopje koffie drinken.’ 
Of Esther en haar team wel ooit in een restaurant kunnen zitten zónder direct alle lampen, deuren en tafels te inspecteren? ‘Ha, ja hoor. Geen probleem. Al is het wel lastiger in door mijzelf ontworpen zaken. Als iets kapot is of het licht niet goed gedimd wordt, begint het toch te jeuken.’

Zelf soep maken

Kan Esther, met meer dan 27 afgeronde zaken en altijd vijf lopende projecten op de planning, nog wel ergens van dromen? ‘O, jazeker. Ik heb altijd geroepen dat ik ooit een spa wil ontwerpen. Liefst ergens op een berg in Noorwegen, midden in de natuur. Dat is een heel ander soort project. De architect Peter Zumthor heeft dat ooit fantastisch gedaan met Therme Vals in het Zwitserse Graubunden. Heel sereen, met veel natuurlijke materialen. Ontwerpen in een natuurlijke omgeving zorgt voor een heel andere context; het interieur kan ten dienste staan van het uitzicht. Het lijkt me ook interessant een interieurontwerp te maken voor een land waar het altijd warm is. In Nederland zijn we zo afhankelijk van de vier muren die kou en regen tegenhouden. Het lijkt me te gek om iets te ontwerpen waar interieur en exterieur naadloos in elkaar overlopen.’
Maar als je al die dromen waar wil maken, heb je dan over tien jaar geen joekel van een studio? Esther: ‘Misschien wel groter dan nu, maar niet te groot. Want dan ben je vooral je bedrijf aan het managen, dat wil ik niet. Ik vind het heel prettig dat we met zes zijn en iedereen doet. De een maakt de ene keer soep voor lunch, de ander doet de boodschappen. Klein, persoonlijk. Een groot ontwerpbedrijf runnen? Ik denk niet dat ik daar veel gelukkiger van word.’ 

Benieuwd naar nóg meer mooimakers? Wij zetten vijf vrouwelijke mooimakers in de schijnwerpers.

Tekst door Alice Boothby. 
Dit artikel is verschenen in de Uitkrant.