Dit artikel is in uitgebreidere vorm verschenen in de Uitkrant

Tekst: Margriet Prinssen, Foto's: Lex van der Slot

Op een doordeweekse ochtend treffen we – Bodil, de fotograaf, Kimberley Piqué van Bijlmer Parktheater en ik – elkaar bij Metrostation Ganzenhoef, op een steenworp van de roemruchte flat Gliphoeve, die inmiddels gerenoveerd is en een nieuwe naam heeft gekregen, twee zelfs: Geldershoofd en Gravestein. Kimberley wijst ons de weg; zij woont in Zuidoost, het stadsdeel dat tot 2000 de Bijlmer heette en in de volksmond nog steeds vaak zo genoemd wordt. Het is koud maar zonnig en Bodil, met tropische roots maar hier opgegroeid dus een doorgewinterde Hollandse, heeft zich goed aangekleed: warme booties, een knalrood bomberjack en een muts die ze – aarzelend, ‘misschien toch leuker of laten we de ijdelheid maar helemaal zitten?’ – alleen voor de foto af en toe afdoet. We lopen nog geen 5 minuten of ik zie haar al verlangend kijken naar een toko met een veelbelovende menukaart: ‘Die is goed, ik heb daar weleens een waanzinnig lekker broodje gehaald’. Maar het is nog vroeg en na enig talmen beslissen we om eerst nog even door te lopen. 

Zelf is Bodil opgegroeid in Osdorp, maar ze is wel ontelbare malen in Suriname geweest. Ze kwam voor het eerst in Suriname op haar zesde: ‘Mijn allereerste herinnering is die aan de warmte, alsof er een centrale verwarming heel hoog aanstaat. Als je uit het vliegtuig stapt, is die warmte zo overweldigend, samen met de geur van de tropen.’ Vlak voor de onafhankelijkheid was ze er ook: ‘Ik kan me die opgewonden sfeer heel goed herinneren.’

Scenes op scherp

In Bodil's nieuwe voorstelling De Gliphoeve, die dit voorjaar – afhankelijk van de corona-situatie – in première gaat, gaat het over de enerverende avonturen van een Surinaams gezin dat in 1975 in De Gliphoeve belandt. 'In de voorstelling zie je hoe hard het leven kan zijn voor de twee kinderen van het gezin die het in Suriname prima deden, maar hier ontzettend moeten vechten. Ze krijgen te maken met vooroordelen en discriminatie, een ontluisterend gevoel wat heel veel mensen gehad moeten hebben toen ze hier kwamen wonen. Terwijl ze zich gewoon Nederlanders voelen; toen ze klein waren, maakte Suriname nog deel uit van Nederland. Op school leerden ze dat de Rijn bij Lobith ons land in kwam stromen.’ 

Verontwaardigd: ‘Omgekeerd wisten de meeste Nederlanders helemaal niks van Suriname en het interesseerde ze ook geen biet. Toen ik vroeger vertelde waar mijn vader vandaan kwam, vroegen ze: ‘Spreek jij dan ook Papiamento?’ Terwijl de officiële taal van Suriname het Sranantongo is; Papiamento wordt gesproken op de eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao. Nog steeds weten mensen het verschil niet.’

Intussen zijn we al wandelend beland op de plek waar de Gliphoeve stond. Nu is de ooit langgerekte doos met honingraatvormige flats in twee verschillende blokken verdeeld rondom een grasveld. Gerenoveerd nadat het flink uit de hand was gelopen en nu al jaren een oase van rust. ‘In feite zou je kunnen zeggen dat het supergezellig is’, concludeert Bodil. Kimberley relativeert het rooskleurige plaatje enigszins door uit te leggen dat ook in Zuidoost een flink deel van de opgeknapte huizen terecht is gekomen in handen van (meer huur betalende dan wel koopkrachtige) nieuwe bewoners, waarbij de oude bewoners elders hun heil moesten zoeken. ‘Gentrificatie is zeker ook hier aan de orde.’ Toch noemt ze nu de samenstelling van de wijk nu een goede mix van Surinamers met andere bevolkingsgroepen: Antillianen, Ghanezen, Nederlanders en expats van overal.’

Bodil is in Osdorp ook opgegroeid in een flat. ‘Wel anders dan de Bijlmer; het zijn niet van die enorme flats. Mijn Chinees-Indonesische grootouders woonden eerst in Slotermeer en mijn ouders waren bij hen ingetrokken. Toen konden ze een nieuwbouwflat krijgen in Osdorp, in een arbeidersbuurt. Ze woonden op tweehoog, wij kregen wat later op de vierde etage een eigen huis en oom André woonde op de zesde. Wij werden echt als ‘exotisch’ gezien in Osdorp. Ze vonden ons sowieso totaal raar: we aten nooit om zes uur, ze konden mijn grootouders niet verstaan, er stond altijd eten op tafel bij ons, alles was anders. De moeders van de andere kinderen zaten altijd thuis klaar met de thee, die van mij nooit. Wij hadden een heel ander leven, daar was ik me ook erg van bewust. Osdorp was toen ook heel ver weg van Amsterdam voor mijn gevoel, inmiddels zijn al die wijken ontsloten, dat vind ik wel een goede ontwikkeling.'

Stuk vuil

‘Mijn Surinaamse familie is gewoon altijd daar blijven wonen, op één oom na die na de Decembermoorden in 1982 – in Suriname werden vijftien vooraanstaande tegenstanders van het Bouterse-regime vermoord – in Rotterdam is gaan wonen. Het heeft daarna heel lang geduurd voor de betrekkingen weer enigszins normaliseerden, in het begin was er zelfs nauwelijks telefonisch contact mogelijk. Ik ben toen ook bijna tien jaar niet in Suriname geweest, tot begin jaren negentig.’ 

‘Ik voelde me in Suriname altijd precies hetzelfde als mijn familie, totdat iemand opeens tegen me zei: ‘Wat ben jij wit!’ Ik was een jaar of zeven en zag ineens dat ik een andere kleur heb, dat had ik me nooit eerder gerealiseerd. Ik herinner me dat heel goed, ik voelde me ineens zo buitengesloten. Mijn vader noemden ze ook altijd ‘de witte pier’, hij heeft Schotse voorouders van moederskant. Tegelijk is hij echt heel Surinaams.’ 

In haar boek Het verbrande huis schrijft ze: ‘Ik moet denken aan het zwarte meisje dat me ooit aankeek alsof ik een stuk vuil was. Er waren meer mensen in Suriname die me ooit zo hadden aangekeken. Ik had het alleen niet willen zien. Ik voelde me een met iedereen in Suriname, ongeacht kleur of afkomst, juist omdat mijn familie zo gemengd is. Maar hoe je het ook wendt of keert, in Suriname word ik gezien als wit. ‘Witte pier, zonder manier! Veeg je bil met korespier!’.

Bodil is dus een schoolvoorbeeld van een ‘pinda’, ze wordt hier gezien als ‘zwart’ en daar als ‘wit’, en heeft inmiddels de rijkheid en diversiteit van haar genenpakket tot kracht gemaakt. Het zoeken naar een eigen identiteit, naar een houvast temidden van al die culturele achtergronden is een steeds belangrijker drijfveer geworden in haar werk. Haar ouders hebben elkaar ook ooit gevonden als begin twintigers in Amsterdam, zegt ze, vanwege een identiek gevoel van ontheemdheid en natuurlijk een heimwee naar warmte, naar de zon. ‘Ik weet zeker dat dát was wat mijn ouders bond. Ze herkenden de tropen in elkaar, allebei hadden ze heimwee naar hun geboortegrond.’

Donzen dekbedden

Wandelen met Bodil is ook onderweg veel gezellige praatjes aanknopen. Je ziet haar genieten van de geuren en kleuren van de markt, van de diversiteit en de modegevoeligheid op straat. Als er vier jonge gasten paraderen in donzen dekbedden tot op de grond met eronder peperdure sneakers, kijkt ze hen lachend na: ‘Echt een gang, te leuk, zo hip. Sowieso weten Surinamers zich vaak fantastisch te kleden. Heel inspirerend.’ 

We zijn inmiddels beland bij het Bijlmer Parktheater dat de afgelopen jaren onder leiding van Ernestine Comvalius furore maakte en waar De Gliphoeve in première zal gaan. Onder haar leiding richtte het theater zich steeds meer op talentontwikkeling en het produceren van eigen voorstellingen, zoals het succesvolle Woiski vs. Woiski in 2018. Aan de gevel hangt een enorm banier met daarop: ‘Ernestine, bedankt’. Bodil vertelt dat ze dol is op spelen in het Bijlmer Parktheater, onder andere vanwege het publiek dat vaak vooral uit Surinamers bestaat: Woiski vs Woiski heeft hier maar liefst drie weken achter elkaar gestaan, met enorm succes. ‘Het is ook even wennen, want op tijd komen en beginnen, stil zijn in het theater en dat soort regels, daar zijn Surinamers niet zo goed in. Middenin een intieme scène in de voorstelling neemt iemand gewoon de telefoon op en begint hardop een uitgebreid gesprek: ‘Mi gado, komt die taxi nou nog niet’.’ Bodil doet het voor met onvervalste Surinaamse tongval. ‘Maar het levert wel een ongekende levendigheid op en nergens anders is het applaus zo overweldigend enthousiast.’

‘Een deel van de acteurs en zangers kent elkaar uit Suriname, onder andere van de jeugdtheaterschool in Paramaribo die is opgericht door de ‘grande dame’ van het Surinaamse theater, Helen Kamperveen. Een flink aantal leerlingen heeft inmiddels carrière gemaakt, zoals Daniël Kolf, die de zoon speelt. Hij woont pas een paar jaar in Nederland dus hij is het beste op de hoogte van wat nu in Suriname cool en hip is, dat is ook handig om de teksten te checken. Hij is enorm populair, onder andere vanwege zijn rol in de films De Libi en de serie Mocro Maffia

Hete pom

Tussendoor zoeken we naar een goede toko want inmiddels is het toch echt wel lunchtijd. Bodil stapt op een drietal Surinaamse mannen af die ons de Amsterdamse Poort in sturen. ‘Achteraan rechts moeten we wezen; volgens hun zit daar de beste toko’. Uiteindelijk belanden we toch nog ergens anders, na aanwijzingen van Sergio IJssel, een collega-acteur van haar, die we tegenkomen. Ze wisselen even snel nieuwtjes uit. Allebei zijn ze bezig met een aantal voorstellingen waarvan maar de vraag is wanneer en hoe ze te zien zullen zijn. ‘No spang’ is de conclusie, Surinaams voor ‘maak je niet te druk’. 
Sergio stuurt ons naar zijn favoriete toko waar we uiteindelijk een broodje kopen. Haar favoriet is een broodje bakkeljauw of kerrie-ei, maar ze kiest nu pom en ja, het mag heet zijn.

Ze vertelt over haar vader, inmiddels 81, over wie ze zich zorgen maakt. ‘Ik zou eigenlijk op 16 maart 2020 afreizen naar Suriname voor een hele gave gastrol in een hele gave serie. Ik zou dan een week langer blijven om mijn vader op te zoeken maar dat ging dus niet door vanwege de lockdown. Toen hoopte ik in de zomer te kunnen gaan maar dat is ook niet gelukt. De laatste keer dat ik hem gezien heb was in juli 2019 en dat is lang geleden. Het gaat goed met hem maar hij hoort natuurlijk wel tot de kwetsbare groep. Ik hoop dat hij zo snel mogelijk gevaccineerd kan worden want je hebt daar het Braziliaanse virus. Hij zegt: ‘Ik leef als een kluizenaar, ik doe helemaal geen gekke dingen.’ Hopelijk lukt het om hem deze zomer of in elk geval het najaar te bezoeken.’

Haar werk voert als een ontdekkingsreis door haar leven. Voor het komende jaar ligt de focus weer op de Chinees-Indonesische tak van haar familie, waarover ze bij haar vaste producent Via Rudolphi de voorstelling Dagen van rijst schrijft. Ze hoopt er eind volgend jaar mee op het podium te staan. Het vertellen van verhalen over haar voorouders is een innerlijke noodzaak, zegt ze. ‘Het voelt voor mij heel dichtbij omdat ik al die culturen van binnenuit ken. Alleen al mijn Surinaamse familie: die stamt af van Joods-Portugezen, maar we hebben ook Creools en inheems bloed, het is één grote mengelmoes, Moksi Meti. Dat maakt al die culturen voor mij even rijk als vanzelfsprekend.'

Over Bodil de la Parra en De Gliphoeve

Bodil de la Parra (1963) is actrice en toneelschrijfster. Ze speelt in verschillende films en tv-series. Over haar Indische jeugdherinneringen schreef ze Ouwe Pinda's (2014) en Gouwe Pinda's (2017). In 2020 verscheen haar debuutroman Het verbrande huis: een Surinaamse familiegeschiedenis, gebaseerd op de gelijknamige voorstelling. Bodil leeft samen met acteur/theatermaker Geert Lageveen. Ze woont in Amsterdam en heeft twee kinderen. Met haar zoon Jim – oftewel rapper Gotu Jim – maakte Bodil een vijfdelige minipodcast, over afkomst, kunst, racisme en Suriname, gemaakt aan de keukentafel: Zo moeder zo zoon

De Gliphoeve is het tweede deel van een trilogie over Surinaamse Nederlanders, een coproductie van Orkater en het Bijlmer Parktheater. De muziektheatervoorstelling gaat over de belevenissen van een Surinaams gezin dat in 1975 in de Gliphoeve belandt. Het derde deel van de trilogie staat gepland voor over een paar jaar en gaat over de periode vanaf 2000.

Hou Orkater in de gaten voor data: orkater.nl