Musea staan vaak voor de keus: gaan we voor een blockbuster met een aantrekkelijk thema? Of doen we een duik in de eigen collectie, waarvan gewoonlijk maar een fractie te zien is? Het Stedelijk heeft daarvoor een heel goede oplossing gevonden: het samenstellen van blockbusters uit de eigen collectie. Om maar iets te noemen: er kunnen zó veertig werken van Chagall uit de opslag worden gehaald. Er zijn de nodige Picasso’s en Mondriaans en dan is er nog de ‘bijvangst’: interessant werk dat iedereen een beetje vergeten was. Voor de expo Migranten in Parijs was er dus materiaal te over.

Josephine Baker

Geen cent

De hoop op een voorspoedig bestaan in de cultuurmetropool trekt van overal ter wereld migranten en kunstenaars aan. De jonge Marc Chagall is een van hen en hij is van plan het helemaal te gaan maken. In 1912 schildert hij zichzelf in zijn beste pak achter zijn schildersezel waarop een nieuw schilderij vorm begint te krijgen. Door het raam links zie je de Eiffeltoren, rechtsboven zweeft een Russisch dorpsgezicht. Mooier krijg je het thema ‘migranten in Parijs’ niet samengevat. Zeven vingers aan één hand betekent in het Jiddisch: ergens enorm je best voor doen. Hij moet wel: Chagall, uit Rusland gevlucht voor de pogroms, spreekt alleen Russisch en Jiddisch als hij in Parijs aankomt en zal zijn hele leven zijn geboortegrond in zijn schilderijen blijven verwerken. Dat geldt ook voor een andere immigrant, ene Pablo Picasso. Die spreekt alleen Catalaans, voelt zich zelfs na jaren in Parijs nog een vreemde. En net als Chagall heeft ook hij geen cent te makken. Chagalls beroemde schilderij The fiddler is niet eens gegrond en is geschilderd op een oud tafelkleed. Je ziet de ruitjesstructuur er nog doorheen. De emigrés treffen elkaar in Café du Dôme in Montparnasse, waar ze voor een habbekrats een maaltijd kunnen krijgen (tegenwoordig heeft het een Michelinster) en vinden elkaar in de moderniteit van hun kunst. Ook Piet Mondriaan trekt in 1911 naar Parijs. Hij spreekt in elk geval Frans. En hij heeft het iets makkelijker omdat hij al wat mensen kent. Maar ook hij moet zijn weg vinden in een gepolariseerde samenleving vol antisemitisme en vreemdelingenhaat. Alle nieuwe Parijse kunstenaars verwerken hun eigen achtergrond in hun schilderijen. Chagall doet dat met zijn rabbi’s en synagogen, bij Picasso zijn overal Spaanse elementen te vinden.

Marc Chagall, Zelfportret met zeven vingers

‘Smerige buitenlander’

Na de Eerste Wereldoorlog verandert de sfeer. Het nationalisme laait op en dat heeft zijn weerslag op de artistieke migrantenscene. Voor Picasso gaat zijn klassieke periode in. Chaïm Soutine, een Russisch-Joodse vluchteling die bekend is om zijn abstracte werk, gaat in het Louvre Rembrandts kopiëren. Chagall laat het surrealisme grotendeels los en neemt de liefde als veilig onderwerp. De beeldhouwer Ossip Zadkine, vanaf 1909 in Parijs, grijpt tijdelijk terug op de art deco, omdat deze stijl populair is bij de Franse elite. Dat deze aanpassingstactiek niet alles oplost, blijkt uit de haat die Chagall ondervindt als hij De fabels van Jean de La Fontaine illustreert: hoe durft een immigrant zich te vergrijpen aan zo’n hoogstaand werk uit de Franse literatuur? En de latere societyschilder Kees van Dongen begint zijn carrière als ‘sale étranger’; smerige buitenlander. De tentoonstelling laat ook minder bekende namen zien: vrouwelijke kunstenaars als Sonia Delaunay-Terk en kunstenaars uit de Maghreb. En van danseres Josephine Baker hangt er een zeer charmante poster. De gemene deler is: hoe maak je je eigen kunst in een land dat het jouwe niet is? De thematiek kan niet eigentijdser. Want wie realiseert zich dat ook grote kunstenaars als deze ooit begonnen zijn als – vaak berooide – migrant?

Expo Stedelijk Museum // Migranten in Parijs // 21 september t/m 2 februari

Pablo Picasso, Zittende vrouw met vishoed

Dit artikel is eerder verschenen in de Uitkrant. Tekst: Joke van der Weij, foto’s: Stedelijk Museum.