Dit artikel is eerder verschenen in de Uitkrant
Tekst: Tonya Sudiono en Anne Dirks
Foto’s: Laila Cohen

Het AMFI (al jaren een van de vijftig meest toonaangevende modeacademies ter wereld), cabaretkweekvijver Comedytrain, de leerkeukens van sterrenrestaurants als Rijks en Bolenius en de jeugdopleiding van Ajax (pas verkozen tot beste van Europa): Amsterdam trekt talent aan én brengt talent voort. Natuurlijk; talent is deels aangeboren, maar moet daarna ook gevoed worden. En daar heeft onze stad blijkbaar de ideale omstandigheden voor. Onbedoeld of niet; hier komt iedereen met elkaar in aanraking. Het resultaat? Een mix aan genre-overschrijdende, nieuwe makers.

Talentenjacht nieuwe stijl

Met social media als troef van de jongere generaties worden bovendien steeds vaker onverwachte creatieven ontdekt. Want je kunt wel afwachten tot je talent ontdekt wordt, maar brutale mensen hebben de halve wereld. Daar kan acteur Oussama Ahammoud over meepraten, die zich op guerrilla-achtige manier in de kijker wist te spelen. De achttienjarige Amsterdammer werd eerst gescout op een voetbalplein in Noord voor een korte fi lm, en benaderde later zelf Achmed Akkabi (een van de bedenkers van Mocromaffia) via Instagram, toen hij zag dat er audities waren voor de misdaadserie. Deze zomer brak hij keihard door met bioscoopfilm De Libi.

Wie is de Amsterdammer

Zoals het misschien wel hoort bij jonge honden, speelt bij deze nieuwe lichting makers vooral idealisme en activisme een rol in hun werk. Het gaat niet alleen om kunst en cultuur omwille van zichzelf: wat nu wordt gemaakt, is geëngageerd en roept vragen op over wie de Amsterdammer is en waar hij of zij heen wil. Zo worden nieuwe inzichten geboden over hoe we kunnen samenleven in de stad. Want inderdaad: wie is die Amsterdammer eigenlijk? Waar komt hij of zij vandaan? Zangeres Joya Mooi (kader), toch een geboren en getogen Nederlandse, krijgt de vraag geregeld gesteld. Voor haar nieuwe album ging ze op onderzoek naar haar Zuid-Afrikaanse roots. Dat levert een muzikaal verhaal op over de meerdere plekken waar je je tegelijkertijd thuis kunt voelen. Ook regisseur Ena Sendijarevic (kader) weet hoe het is om in twee culturen op te groeien. In de eerste langspeelfilm van de Bosnisch-Nederlandse, Take me somewhere nice (2019), moet de Nederlandse tiener Alma zich opnieuw zien te verhouden tot Bosnië, wanneer ze daar haar zieke vader opzoekt. Zowel de muziek van Mooi als de fi lm van Sendijarevic roepen de vraag op welke verhalen de nieuwe makers willen vertellen aan de volgende generaties – verhalen die misschien nog niet vaak zijn verteld. Zoals ook dat van schrijver Pete Wu (kader), wiens debuut De bananengeneratie dit jaar verschijnt bij Das Mag Uitgeverij. ‘Banaan’ is een geuzennaam voor Chinese Nederlanders: ‘geel’ vanbuiten, ‘wit’ vanbinnen. Met zijn boek wil Wu het gesprek aangaan met andere jonge Chinese Nederlanders, een groep waar je maar weinig over hoort.

Samen leven

Naast idealisme wordt ook ambachtelijkheid herwaardeerd. Vera van Stapele is al vijf jaar onmiskenbaar succesvol met één soort koekje, waarvan ze maandenlang het recept heeft geperfectioneerd. Voor de deur van haar Koekmakerij Van Stapele (Heisteeg 4) staan nog steeds rijen. Koos Buster (kader) maakt ondertussen moderne keramiek en modeontwerper Lisa Konno, die al eens een plekje in de Duurzame Top 100 veroverde, grijpt met haar collecties terug op oude technieken en materialen, zoals folkloristische stoffen. Want ja: ook duurzaamheid speelt een grote rol onder deze generatie. Ze willen met meer aandacht consumeren, maar ook duurzame banden met elkáár aangaan. De stad is een speelplaats waar nieuwe samenwerkingen tot stand komen. Neem Maru Asmellash (kader), die met vrienden het kledingmerk The New Originals opzette. Hun kleding hangt gebroederlijk naast de pakken van Bonne Suits (van Bonne Reijn) in de gezamenlijke winkel Zeedijk60. Dat er sprake is van kruisbestuiving is daarvan het gevolg – en dat is precies de bedoeling. Activisme, ambacht en aandacht: het zijn de drie elementen die de nieuwe makers typeren. En laten we daar een vierde A aan toevoegen: die van Amsterdam. Want zoals Asmellash het omschrijft in zijn interview op pagina 12: ‘Wat ik en mijn vrienden doen, is iets betekenen voor de mensen in de stad. We willen iets teruggeven aan hen die ons zo inspireren, en zo hén weer inspireren.

Van ambachtelijk koekje tot experimenteel theaterstuk tot innovatieve woontoren: elke dag bedenken en maken creatievelingen weer wat nieuws in onze stad.

JOYA MOOI (1990)

Deze Nederlandse artiest met wortels in het Zuid-Afrikaanse Soweto schuwt persoonlijke thema’s en ervaringen niet in haar muziek. Haar nieuwe album The ease of others komt 13 september uit.

Liedjesschrijver ‘Ik vind het belangrijk dat ik eerlijk ben, ook in mijn muziek. Ik heb weleens geprobeerd om gewoon een gezellig nummer te schrijven, maar daar haal ik veel minder voldoening uit. Dat kan iedereen doen. Ik ben echt de enige persoon op de wereld die mijn verhaal kan vertellen, dus het voelt raar om het niet te doen.’

Zuid-Afrika ‘Ik ben vorig jaar met mijn familie naar Zuid-Afrika geweest, waar mijn vader vandaan komt. Die reis zorgde ervoor dat ik mijn plek in Nederland beter kon zien. Dat is het uitgangspunt van mijn nieuwe album; niet alleen de familiebanden, maar ook de relatie die ik heb met Zuid-Afrika en Nederland. Waar ik thuis hoor én waar ik me thuis voel. Ik hoor mijn verhaal niet echt terug in het Nederlandse muzieklandschap, of het wordt nog niet op deze manier verteld.’

Anders zijn ‘Ik ben hier geboren en opgegroeid, maar ik krijg nog steeds de vraag waar ik vandaan kom. Ik wil laten zien dat het een zoektocht is. Ik denk dat mensen zonder migratieachtergrond of gemixte achtergrond daar niet zo bij stilstaan. Het is makkelijk om ‘anders’ te zijn, maar het is heel moeilijk aan te wijzen wat dat ‘anders’ dan is. Dat gevoel wilde ik uitpakken en ontleden. Ik ben op dit album veel explicieter over mijn ervaringen met kleur. Hoe er in Nederland gepraat wordt over nieuwe Nederlanders; die gesprekken worden steeds botter. Ik had behoefte aan het explicieter uiten van mijn kant van het verhaal, van mijn gedachtegang, om iets meer balans te brengen in dat gesprek.’

MANON VAN HOECKEL (1990)

Manon is ‘social designer’; met haar projecten probeert ze vreemden met elkaar in gesprek te brengen. Een vluchteling met een Nederlandse burger, zwerfjongeren met ambtenaren of een buurman met zijn buurvrouw bijvoorbeeld.

Social wat?

‘Ik heb heel lang gedacht dat je als designer een fysiek product moet maken. Pas aan het eind van mijn studie aan de Design Academy Eindhoven realiseerde ik dat het ook anders kan. Ik gebruik vaak camouflageactiviteiten om mensen te verleiden een nieuwe plek te bezoeken. Ik maak vaak wel iets fysieks, maar dat is slechts een tool om ervoor te zorgen dat mensen op een andere manier naar de situatie kijken of met elkaar in gesprek gaan. Dat gesprek of die gedachte is mijn eindproduct.’

Plek vol vooroordelen ‘Het Zeeuws Museum vroeg me iets te doen rondom arbeidsmigratie in Vlissingen. Ik ben in het stadje op zoek gegaan naar plekken waar arbeidsmigranten gebruik van maken. Ik eindigde bij een belwinkel, waar ook zo’n balie staat waar je geld naar het buitenland kunt sturen. Een plek vol vooroordelen; de Vlissingers zelf hadden er niet zo veel te zoeken. Die belwinkel is nu onderdeel van de expositieroute van het museum. Er hangen een aantal ouderwetse telefoons die je de verhalen laat horen van arbeidsmigranten die naar Zeeland zijn gekomen, maar ook van Zeeuwse jongeren die er zijn weggetrokken.’

Contact in de stad

‘Door in contact te raken met de ander, kun je eigen ideeën en meningen verifiëren of bijstellen. Wat gebeurt er wanneer we dat contact steeds minder hebben? Door de ontwikkelingen in technologie is het gebruik van de stad aan het veranderen. Wat voor plekken zijn er nog waar mensen contact met elkaar zoeken? Wat voor plekken kun je maken die zorgen voor meer contact tussen stedelingen? Daar hou ik me graag mee bezig.

LAILA COHEN (1987)

Mooi zijn ze, hè, de kleurrijke portretten bij dit artikel? Ze zijn van de hand van Laila Cohen, die met haar werk zeker een plek verdient op dit talentenpodium. De in Amsterdam geboren Cohen studeerde documentairefotografie – en liep stage bij onder anderen Annie Leibovitz in New York – maar zocht al snel ook de grens met modefotografie op. Ze werkte eerder voor i-D, het Parool en Ace & Tate, en samen met modeontwerper Lisa Konno bracht ze een ode aan vaders met een immigratieachtergrond in Baba. Haar foto’s verbeelden optimisme en hoop: geïnspireerd door haar Marokkaanse, Joodse en Nederlandse achtergrond portretteert ze onze samenleving in al haar diversiteit.

ENA SENDIJAREVIC (1987)

Met debuutfilm Take me somewhere nice (2019) geeft Ena Sendijarevic met haar originele, droogkomische stijl een eigen draai aan het genre roadtrip movie. Daarmee scoorde de Bosnisch-Nederlandse het afgelopen jaar hoge ogen; de film werd geselecteerd voor Cannes en het IFFR. De regisseur schrijft op dit moment aan een nieuwe film over het Nederlandse koloniale verleden, waarin fantasy en horrorelementen niet geschuwd zullen worden. Dat belooft weer wat.

MARU ASMELLASH (1994)

Maru is een van de oprichters van label The New Originals, Zeedijk 60 en festival SMIB x TNO FEST. Daarnaast werkt hij samen met het Stedelijk Museum en stadsdeel de Bijlmer en schuift hij regelmatig aan tafel bij de gemeente om mee te praten over creatieve ruimte in de stad.

The New Originals

‘Wij maken performance-kleding voor creatieven. Dat narratief gebruiken we om mensen te stimuleren achter hun ambities aan te gaan. Onze vriendengroep is bezig met kunst en muziek. We wilden iets teruggeven aan de mensen die ons inspireren en zo hén weer inspireren.’

Op naar het centrum

‘Ik voelde me altijd al heel erg aangetrokken tot de reggae-, dancehall- en hiphopcultuur. Dat is meer dan muziek; dat is ook hoe je je kleedt, hoe je praat, hoe je met mensen omgaat, welke feestjes je bezoekt en bij welke winkels je terechtkomt. Op die plekken ontmoette ik mijn vrienden. We zijn met zijn allen uit Oost en Zuidoost naar de binnenstad getrokken en vonden elkaar bij de winkels waar we onze schoenen en kleren haalden.’

Voor de stad

‘Wat ik samen met mijn vrienden doe, de mensen van Bonne Suits, Sumibu en SMIB, is met eigen initiatieven iets betekenen voor de mensen in de stad. Zonder subsidies of investeringen hebben we een wereld gebouwd die nog vrij bescheiden is, maar wel wat teweegbrengt bij onze eigen community. Er zijn veel mensen die zich betrokken voelen bij wat we doen. En een winkel op de Zeedijk zorgt ervoor dat we weer een bestemming creëren voor Amsterdamse jongeren.’

Festival

‘Ik denk dat we lange tijd tot een groep behoorden die niet zo snel bereikt werd door de gemeente. Ik ben pas sinds kort in contact met mensen die daar werken. Dit jaar vond de vierde SMIB X TNO fest plaats. Daar staan geen big shots op het podium, maar gewoon artiesten die iets terugdoen voor hun doelgroep. Ook hier willen we een kweekvijver zijn voor jonge creatieven.’

KOOS BUSTER (1991)

Alleen zijn pakkende naam maakt al nieuwsgierig: wat zou deze jongeman doen? Zelf claimt de zelfverklaarde ceramic influencer álles te kunnen maken van keramiek. Wie een blik werpt op zijn Instagram-account, ziet postzegels, scooters, beveiligingscamera’s, schoonmaakmiddel, pistolen en asbakken met uitgedrukte peukjes voorbijkomen. Alles van keramiek. En die beschildert hij dan, met een songtekst van Gerard Joling bijvoorbeeld. Aankomend jaar maakt Buster samen met collega-kunstenaar Carlijn Fransen een online videoserie, in een volledig van porselein gekleide en afgebakken setting.

IRA KIP (1981)

Kip maakte samen met vijf queer vrouwen een bewerking van Shakespeares The taming of the shrew en is nu bezig met een nieuw theaterstuk.

Shakespeare goes queer

‘Shrew her speelt zich af op een bruiloft, het publiek zijn de gasten. Er worden mensen uit het publiek gehaald voor speeches, er is champagne, taart. Het is een feestje. Maar we zeggen ook: dit feestje, hè, waarvan gezegd wordt dat we hier als meisje al van moeten dromen, is dat wel logisch? En is het logisch in een lgbtqcontext? Wat winnen we eigenlijk door onderdeel te worden van dit instituut? Moeten we niet op zoek naar nieuwe vormen?’

Trouwen

‘Op mijn twaalfde stond ik voor het eerst in een toneelstuk, op school op Aruba. Ik heb gesmeekt om mee te doen aan de schoolvoorstelling en kreeg één zin. Bij terugkomst in Nederland wist ik meteen: ik wil regisseur worden. Ik wist dat ik zou trouwen met dat woord. In Amsterdam kwam ik terecht op de theaterdocentopleiding. Dat heb ik drie jaar gedaan en toen werd ik van school gestuurd. Toen dacht ik: fuck it, ik ga naar New York.’’

Zij uit de Bijlmer

‘Voor mij was die overstap ook een bepaalde entitlement die ik voelde: ik mág dit. Ik was van school gekickt en er werd veel aan me getwijfeld, door docenten, door klasgenoten. Ik kon in New York voor het eerst theater maken in vrijheid. Daar kon ik echt mezelf zijn. Het ging er niet over dat ik half-Surinaams, half-Antilliaans was en uit de Bijlmer kwam, ik was gewoon een maker.’

Dat is theater

‘Niemand stoomt je echt klaar voor de echte wereld en voor wat je gaat doen na school. Er wordt je wel gezegd dat je mooie dingen kunt gaan maken, maar ik wilde niet alleen maar mooie dingen maken. Ik wil theater inzetten zodat andere verhalen worden gehoord. Ik wil werk maken dat groter is dan ikzelf, that changes lives. Dat is wat theater voor mij is.’

PETE WU (1985)

Als journalist schrijft Pete onder ander voor Brandpunt+, Vice en de Volkskrant. Zijn eerste boek komt op 24 oktober uit.

De bananengeneratie

‘Mijn ouders noemden ons vroeger altijd bananen; geel van buiten en wit vanbinnen. Waarmee ze eigenlijk zeiden: je gedraagt je niet als een Chinees. Ik heb voor mijn boek heel veel mensen gesproken over hoe het is om met zo’n dubbele identiteit te leven. Mijn boek gaat over mensen zoals ik, mensen die zijn geboren in Nederland maar wier ouders uit China komen. Ook om een ander beeld te geven van Chinezen in Nederland. Niet elke Chinese Nederlander werkt in de horeca; ze zijn psycholoog, kunstenaar of politicus.’

Appje ‘Ik ben via een appje uit de kast gekomen. Ik dacht: ik kan het wel face to face zeggen, maar dan kan mijn moeder het negeren. De Chinese cultuur is heel erg een schaamtecultuur. Alles wat je niet aanstaat, daar praat je niet over, je hangt de vuile was niet buiten. Door het te appen, stond het zwart op wit en kon zij het makkelijker verwerken, zin per zin. Een halfjaar later ging ik met m’n moeder naar China voor de bruiloft van mijn nichtje. Ik was nog nooit zo lang met haar alleen geweest. In Shanghai had ze een gids voor ons geregeld; dat bleek een vrouw te zijn aan wie mijn moeder me wilde koppelen. Zij dacht dat ik gewoon de juiste vrouw nog niet had ontmoet en weigerde op te geven.’

In de ik-vorm

‘Dat verhaal werd uiteindelijk een artikel in Volkskrant Magazine waar heel veel reacties opkwamen. Dat is een soort omslagpunt voor me geweest; toen ben ik meer in de ik-vorm gaan schrijven en me meer met mijn Chinese afkomst bezig gaan houden. Ik ben nu 33 en kan daar eindelijk iets over zeggen, voor mijn gevoel.

GERT KWEKKEBOOM (1984)

Hij richtte met drie collega’s het Amsterdamse architectenbureau Civic op en won in 2017 daarmee al de ARC Jong Talent Award, een prestigieuze architectenprijs voor aanstormend talent. Civic specialiseert zich in publieke gebouwen als rechtbanken, bibliotheken en musea, maar ook woontorens (Sloterdijk), het renoveren van het sociëteitsgebouw van Felix Merites en de Danzigerkade Creative Hub in de Houthavens behoren tot hun cv. Hun LocHal in Tilburg, waar o.a. de openbare bieb huist, won dit jaar de Dutch Design Award in de categorie Habitat. Kwekkebooms ontwerpstijl onderscheidt zich juist door zijn onopvallendheid; de missie is geslaagd wanneer de gebouwen op een kameleontische manier in de omgeving opgaan.