Tekst: Erik Schmitz 

Fred Nordheim / Stadsarchief Amsterdam

Foto: Fred Nordheim / Stadsarchief Amsterdam

Vogelliefhebbers bij het ‘Olifantenveld’ in het Westelijk Havengebied, 8 april 1967. Jacobus Walters staat in het midden, op rechts stadsecoloog en schrijver Martin Melchers.

Als in de vroege ochtend de vogels beginnen te zingen, is de winter definitief voorbij. De aarzelende beginners krijgen in mei en juni gezelschap van een meerstemmig vogelkoor. Als de jonge vogels uit het ei zijn en daarna min of meer opgevoed het nest hebben verlaten, doen de ouders het – net als mensen – wat kalmer aan. De drukke broedtijd is ook het hoogtepunt van het jaar voor elke vogelliefhebber. Dat kan niet beter geïllustreerd worden dan met een moment in het leven van de bevlogen Amsterdamse vogelaar Jacobus Walters (1926-2009). Op een zondagmiddag rond 1947 moest hij met zijn meisje op theevisite bij haar ouders. ‘En dat midden in het broedseizoen, op een prachtige dag, terwijl de opgespoten terreinen vol nesten lagen waaraan ik onderzoek wilde doen. Verschrikkelijk!’ zei Walters er later over. Met de verkering werd het niets. Walters zou – naast zijn baan – zijn leven aan de studie van vogels wijden. Vooral verschillende pleviersoorten hadden zijn aandacht: hij wijdde er aparte dagboeken aan, vol waarnemingen en meetgegevens, compleet met ingeplakte veren en ringen.

De opgespoten terreinen rond de stad, de ‘spuitvelden’, werden aangelegd voor de uitbreidingen van Amsterdam. De laaggelegen polders rond de stad werden bouwrijp gemaakt met dikke zandpakketten. Deze lagen vaak jaren braak omdat de grond moest inklinken, en omdat de bouw niet altijd volgens schema verliep. Terreinen waar de natuur zich ongestoord kon ontwikkelen, vol pioniersoorten en broedende vogels. Walters was vanaf de late jaren 40 veel te vinden op de zandvlaktes rond de Sloterplas, waar later de wijken van Nieuw-West werden gebouwd, en vanaf de jaren 60 op de schier oneindige zandvlaktes van het Westelijk Havengebied. Door de economische recessie na de oliecrisis van 1973 stokte daar de verdere ontwikkeling en werd het een waar natuurparadijs. De onderzoekers – naast Walters ook anderen, met sommigen raakte hij goed bevriend – kenden het terrein op hun duimpje. Elk deel kreeg een andere naam: ‘Middenveld’, ‘Amerikaveld’ en de mooiste: ‘Olifantenveld’, waar Walters fossiele botten vond van mammoeten, die met het zand uit de Noordzee waren opgezogen.

Toen Walters ouder werd, werd zijn actieradius kleiner. Tegelijkertijd verdwenen de vertrouwde zandvlaktes: het Westelijk Havengebied raakte steeds dichter bebouwd. Zijn nalatenschap is uniek: een archief vol bijzondere natuurwaarnemingen uit een paradijselijke tijd.

Meer lezen? Lees het boek van Martin Melchers: Meneer Walters – Een Amsterdamse natuuronderzoeker (zie ook: vogelsamsterdam.nl)