De terugkeer van Odysseus

Eigenlijk heeft Monteverdi het genre opera twee keer uitgevonden. De eerste keer met L’Orfeo in 1607 in Mantua, de tweede keer met zijn werken voor Venetië, waarvan Il ritorno (1640) en L’incoronazione di Poppea (1642) als enige overgeleverde partituren getuigen. Aan deze laatste werken gaf de componist een werkelijke muziekdramatische levendigheid mee, terwijl L’Orfeo nog neigde naar het genre van het geestelijke oratorium. Met het vernuftige libretto van Giacomo Badoaro als basis vertelt Monteverdi in een kleurrijke recitatiefstijl hoe de held Odysseus (Ulisse), na tien jaar Trojaanse oorlog en tien jaar rondzwerven over de Middellandse Zee, naar zijn echtgenote Penelope op Ithaka terugkeert.

René Jacobs

De rijke zangstijl, die schommelt tussen spraakritme en arioso en soms zelfs uitbarst in cantabile fragmenten, geeft de emoties van de karakters een enorme lading, zo zal dirigent René Jacobs laten horen. Omdat de Venetiaanse operahuizen commerciële instellingen waren, was er geen plaats voor een groot koor of een groot orkest. Vijf strijkers en een aantal continuo-instrumenten (waaronder klavecimbel, viola da gamba en teorbe) begeleidden de solisten. Die waren wel ruim voorhanden, met tenor Ulisse en mezzosopraan Penelope als belangrijkste personages.


Deze content wordt beschikbaar gesteld door Het Koninklijk Concertgebouw