Valery Gergiev dirigeert Mahlers Zevende

Twee delen van zijn Zevende symfonie gaf Gustav Mahler de titel ‘Nachtmusik’ mee, en het spookachtige Scherzo daartussen klinkt als een nachtmerrie. Vaak wordt beweerd dat Mahler zich voor zijn nachtmuzieken liet inspireren door Rembrandts Nachtwacht. Zijn Nederlandse collega Alphons Diepenbrock bewees: dat was onzin. Ook de bijnaam ‘Lied der Nacht’ werd pas na Mahlers dood verzonnen en zou zeker geen genade hebben gevonden in zijn ogen. Alleen al de fulminante finale in C-groot maakt dat onmogelijk. Mahler had het slot van de symfonie met de drie ‘nachtstukken’ niet voor niets omschreven als ‘klaarlichte dag’. De contrastrijke partituur is een kolfje naar de hand van Valery Gergiev en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Maar ondanks het stralende slot is Mahlers Zevende nog altijd zijn minst gespeelde partituur.

Dutilleux en Van Goghs ‘nachtwerk’

Henri Dutilleux gaf zijn orkestwerk Timbres, espace, mouvement de beschrijvende titel ‘La nuit étoilée’. Het gelijknamige schilderij van Vincent van Gogh was hier een bron van inspiratie. Het ‘zwarte gat’ in het midden van diens sterrennacht vertaalt Dutilleux door de hoge strijkers in het orkest weg te laten. De onmetelijke ruimte wordt plastisch weergegeven door de verspreide opstelling van de twaalf cellisten, als flonkerende sterren.

Deze content wordt beschikbaar gesteld door het Koninklijk Concertgebouw