Een zee van geraffineerde orkestklanken


In de ouverture van zijn opera Der fliegende Holländer (1843), over een spookschip op zee, loodst Richard Wagner de luisteraar al door het verhaal van wanhoop, liefde, verlangen en eenzaamheid. Dezelfde zee, de storm en het onstuimige water roept Claude Debussy op in zijn meesterwerk La mer (1905). Dit stuk is een fascinerend voorbeeld van verfijnde orkestratie en de geraffineerde klankmogelijkheden van een symfonieorkest, zoals Debussy 10 jaar eerder al met veel succes had verkend in zijn Prélude à l’après-midi d’un faune (1894). Hier is de aanleiding een gedicht van Mallarmé over de mythische Faun, volgens vertaler Paul Claes ‘niet zomaar een frivole bosgod, maar een masker van de dichter in zijn problematische verhouding met de werkelijkheid’.

Debussy’s fascinatie met Wagners Tristan is goed hoorbaar, maar strikt als understatement binnen zijn eigen suggestieve klankwereld.
Het gekke en opwindende slagwerkconcert Speaking Drums (2013) van Peter Eötvös gaat ook over klanken. Het stuk begint met nonsenswoorden van de solist, met nadruk op het ritme, waarna de percussie-instrumenten het woord overnemen. Agostinho Benedito de Almeida Sequeira, student van de befaamde slagwerkafdeling van het Conservatorium, voert de uitdagende solopartij uit.