Janácek en de taal van de gewone man

In de twintigste eeuw staan componisten meer dan ooit open voor impulsen van buitenaf. Soms komen ze wat op de markt tegen, of ze ontdekken iets via de radio. Zo luisterde Leoš Janácek goed naar de spreektaal van de gewone man, om in zijn vocale muziek een sterk declamatorische stijl te bereiken. Die stijl liet zelfs in zijn instrumentale muziek zijn sporen na. De drie delen van Taras Bulba zijn door hun literaire karakter bijna instrumentale operascènes geworden.

Lutoslawski en de Vrijheid

Béla Bartók was als jonge man diep onder de indruk van Richard Strauss. Hij vond zijn onmiskenbaar eigen geluid echter op het platteland van de Balkan. De ogenschijnlijk primitieve eenvoud ervan doordrenkt zijn Eerste pianoconcert. Hij speelde het in 1928 zelf in Het Concertgebouw, met Mengelberg als dirigent. Witold Lutoslawski begon daar waar Bartók ophield, maar werd overdonderd door een radio-uitzending van het Pianoconcert van John Cage. Uit die ervaring ontwikkelde hij zijn eigen variant van de toevalsmuziek. In zijn Derde symfonie heeft dat tot een indrukwekkend bouwwerk geleid. De orkestmusici krijgen enige vrijheid – een prachtig symbool in het door de Sovjet-Unie overvleugelde Polen. En is het toeval dat de eerste noten van de symfonie overeenkomen met de opening van Beethovens Vijfde?

Deze content wordt beschikbaar gesteld door het Koninklijk Concertgebouw