‘We zijn niet uitgeëmancipeerd als homo-gemeenschap’

Tussendoor staat er nog een shoot gepland in de studio van fotograaf Peggy Kuiper, die een serie 3D-portretten van hem zal maken voor de Uitkrant. Het foeteren gaat intussen hartstochtelijk door. Want, nee, natuurlijk is zo’n man niet alleen een religieuze homohater, zegt hij, terwijl hij in de studio van Peggy Kuiper neerploft, visagiste Yokaw om hem heen vlindert en stilist Pascal een blauw jasje tegen hem aanhoudt. ‘Zo’n man is vooral een gefrustreerde flapdrol. Mooi dat je blauw gekozen hebt, Pascal – zo heet je toch, hè? Blauw schept een soort afstandelijkheid waar ik van houd. Moet ik mijn hoofd recht houden? Beetje schuin, zo? Kijk, als je zelf goede seks hebt,’ zegt hij, ‘en een beetje een fijn sociaal leven, laat je het wel uit je hoofd een nachtclub binnen te lopen en je magazijn of hoe dat dan ook heet op andere mensen leeg te schieten. Dan bemoei je je niet met andermans seksleven. Maar intussen wordt iedereen in zijn seksuele vrijheid beperkt, zo breed is het – het is natuurlijk gewoon een tweede Bataclan.’ En terwijl zijn neus gepoederd wordt: ‘Maar ik ben geen voorzitter van het COC of zo hè – als je hier in je stuk over schrijft, moet je dat wel duidelijk maken. Ik ben een particulier geïnteresseerde, die toevallig... overtuigd homoseksueel is.’

 Erwin Olaf - Beeld: Peggy Kuiper | Cake Film & Photography via Phenster

Genoteerd. En je bent natuurlijk een wereldberoemd fotograaf. Valt het je eigenlijk zwaar om nu even zelf model te zijn? Jeuken je handen?

‘Nee hoor, vind ik leuk. Al ben ik niet bepaald een dankbare poseur. Zeg het als ik mijn schouders te hoog optrek hè, dat doe ik altijd, mijn schouders te hoog optrekken. En mijn mond? Stukje open of helemaal dicht, zo?’ (‘Helemaal dicht, zegt Peggy en ze glimlacht, ‘graag helemaal dicht. En je arm iets omhoog, zo, ja, mooi, heel mooi.’)

‘Wat is vrijheid nog in dit land?’ Zoiets zei je net op Radio 1. ‘Waar kun je als homoseksueel nou helemaal jezelf zijn in het openbaar? We hebben drie straatjes in Amsterdam, twee in Utrecht.’

‘Nou ja, een beetje gechargeerd. Kijk, veel dingen zijn hier prima voor elkaar, we hebben alle vrijheden; er zijn weinig landen waar je als homo de overheid en de wetgeving zo aan je kant hebt – wat dat betreft ben ik heel blij dat ik op dit stukje van de aarde geboren ben. We hebben het homohuwelijk, we kunnen ons verenigen in allerlei organisaties – en dat doen we ook. Maar ja, twee vrienden van mij geven elkaar een arm op de Kinkerstraat, en binnen dertig seconden worden ze uitgescholden door jongens op een scootertje. De straat moet je blijven veroveren. Dat hebben we altijd moeten doen. Met woorden, met argumenten en af en toe met een stevige scheldkanonnade.’

Of met een Kiss-Inn, zoals je vier jaar geleden hebt georganiseerd. Een snackbarhouder op het Hugo de Grootplein had jou en je vriend gesommeerd een deurtje verderop te gaan zoenen – stonden er twee dagen later honderd zoenende mannen en vrouwen voor zijn deur.

‘Je moet wel strijdbaar blijven. We zijn een beetje in slaap gesukkeld na de Gay Games in 1998. Dat was natuurlijk Amsterdam op zijn allertolerantst. Nooit heb ik me zo vrij gevoeld als in die zomer. Maar we zijn niet uitgeëmancipeerd, we moeten assertief blijven als homo-gemeenschap.’

Of is Amsterdam zijn glans als ‘Gay Capital’ gewoon een beetje aan het verliezen?

‘Ik heb niet het gevoel dat we minder tolerant worden. Wel dat er flinke culture clashes plaatsvinden, tussen de vooruitstrevende groepen en zij die vinden dat het allemaal veel te snel gaat. Mensen met een islamitische achtergrond, onder anderen, maar onderschat ook de boerenknuppels in Nederland niet, zoals die mannen die laatst twee Groningse lesbiennes in elkaar hebben geslagen.’ (Peggy: ‘Erwin, kan die hand weer naar je gezicht, hoofd kwartslag draaien, mooi, precies, en kan die mond weerdicht?’)

Je moet even stilzitten. Vertel ik als pauzenummer even hoe je vader, vertegenwoordiger in kantoormeubelen in Hoevelaken, omging met het nieuws dat zijn zeventienjarige zoon Erwin ‘zo’ was. Corrigeer me als ik het verkeerd zeg, maar hij had een oom en een tante en hun twee kinderen uitgenodigd, en die zaten met zijn vieren op de bank, keurig in het gelid, knietjes tegen elkaar, toen je vader plechtig zei: Ik moet jullie iets vertellen over Erwin... Waarop de vier in koor riepen: Erwin is homo!’

‘Haha, ja, die hadden dat natuurlijk allang gezien. Ik was een nicht als een paard. Maar dat heeft mijn vader wel geholpen bij het accepteren ervan. Over mijn moeder had ik me al geen zorgen gemaakt, die moest even huilen, toen was het klaar. Maar mijn vader moest ik nog overtuigen, dacht ik. Nou goed, hiermee was het pleit beslecht.’

Erwin Olaf - Beeld: Peggy Kuiper | Cake Film & Photography via Phenster

Op 6 augustus is het weer Canal Parade in Amsterdam, met een stoet van 75 boten op de Prinsengracht. Moeten we daar na Orlando een extra feestje van maken?

‘Ik sta een beetje ambivalent tegenover de Pride. Wat ik net zei over de verworvenheden in dit land – die mogen wat mij betreft gevierd worden, samen met de overheid. Er is altijd een boot waarop een minister of de burgemeester staat te wuiven. Dat vind ik prima, te gek. Maar zelf hoef ik niet zo nodig op zo’n boot. Wel gedaan hoor, in de beginjaren. Op de boot van De Trut bijvoorbeeld.’

In vol ornaat of juist... volgens de dresscode zeg maar?

‘In mijn blote kont? Nee hoor, in wat ik gewoon ook aanheb. En er wordt altijd gezeurd over strings. Ik heb daar in vijftien jaar geen string gezien. Wel grote witte T-shirts met het logo van bedrijven erop. Dat kun je als bezwaar zien: het is niet meer het feestje van onze kleine gemeenschap; het is een volksfeest geworden. En de vercommercialisering zorgt ervoor dat juist de kleine strijdbare homo-organisaties die geen budget hebben buiten de, eh, boot vallen... Misschien moet er een quotum worden gesteld voor die grote jongens, en erop worden toegezien dat degenen om wie het echt gaat voorrang krijgen.’

Of wordt het tijd voor een alternatieve, kleine Pride, met huifkarren langs de Rondehoep?

‘In Utrecht wordt er gedacht over een alternatieve, minder commerciële Canal Parade. Maar ik vind dat niks, dan schep je verdeeldheid binnen een groep die toch al zo klein is.’

Waar zou je nieuwkomers in de stad naartoe sturen?

‘Ik ben dol op Club Church in de Kerkstraat, maar dat kan ik niet meer bijbenen, nee joh, veel te oud, haha. De Prik aan de Spuistraat vind ik ook leuk. En het Milkshake Festival in het Westerpark eind juli...’

Jouw stad, zo voelde het meteen toen je hier kwam wonen in 1980 – je bent verslingerd aan Amsterdam, zeg je altijd. Maar in de kunstscene hier ben je ook weer niet heel zichtbaar.

‘Dat is hetzelfde als met het staan op zo’n boot. Ik ben iemand die liever vanaf de kade toekijkt, of het nou om de homowereld of om de kunstwereld gaat. Liever de opstoker, de voyeur, dan er zelf onderdeel van uitmaken. En ik ben natuurlijk veel weg. Dat relativeert aan de ene kant enorm. Dat de daling van je vliegtuig naar Amsterdam al boven Duitsland of boven Brussel inzet. Tegelijkertijd is het ook die kneuterigheid die ik dan heb gemist. Ja, in Kyoto, of noem eens wat, heb ik echt heimwee naar de Jordaan waar ik al twintig jaar woon: geen hoogbouw, het groen, het water, de eendjes... Een enkele toerist, zeker, maar daar hoor je mij niet over.’

Morgen ga je door naar Basel – wat is daar te doen?

‘De kunstbeurs, de Art Basel. Ik heb een grote opdracht van een champagnehuis, Ruinart, gekregen. Die fotoserie reist langs beurzen over heel de wereld, en ik reis mee.’

Een beetje goeie champagne?

‘Hele lekkere. Helaas ben ik tijdens die opdracht gestopt met drinken. Je kunt de serie zien op de site van Ruinart. Da’s ander werk dan je misschien van mij zou verwachten: stillevens, bijna graffiti-achtig.’

Ik weet niet wat we als Erwin Olaf-publiek verwachten. Juist als we aan iets gewend zijn, ben jij alweer de hoek om, toch? Dan heb jij jezelf alweer opnieuw uitgevonden.

‘Ik vind het wel heel belangrijk om mezelf te blijven onderzoeken, ja. De laatste jaren was ik bezig met grote, geënsceneerde stills. Nu sta ik een beetje op een tweesprong. Aan de ene kant de hang naar het introverte. Sinds twintig jaar ga ik de doka weer in, maak ik weer afdrukken met de hand. Aan de andere kant wil ik ook loskomen van het “platte” beeld; ontwikkel ik installaties en soundscapes; en werk ik in 3D. O, en ik ben met een film bezig, Een schitterend gebrek van Arthur Japin. Daarnaast trekt het buitenland. Ik heb in Berlijn een serie gemaakt met een soort droombeelden op zes locaties, dat zou ik wel weer willen, op een heel andere plek... In Shanghai bijvoorbeeld, een stad in een overgangsfase.’

Niet in Amsterdam? Wij zijn ook in ontwikkeling hè.

‘Nee, dat komt te dichtbij.’

Kan Amsterdam zich op het vlak van de fotografie eigenlijk meten met andere wereldsteden?

‘Vind ik wel. We hebben Foam, een heel dynamisch museum op het snijvlak van wat intellectuelere en meer rauwe fotografie, wat meer van de straat, zeg maar. Huis Marseille natuurlijk, met een eigen niche – meer highbrow. Het Stedelijk Museum nog een beetje, niet wereldschokkend. En het Rijksmuseum bouwt aan een interessante eigen collectie.’

In datzelfde Rijks heb je dit voorjaar een vleugel mogen inrichten voor Catwalk, een historische tentoonstelling over mode – 200.000 bezoekers. Maar voor een overzicht van je eigen werk moest de liefhebber dan weer naar het Groninger Museum. Is dat het verhaal van de profeet in eigen stad?

‘Ik heb een hele warme band met de stad Amsterdam; ik heb een hele lauwe band met de moderne kunstwereld in Amsterdam. En dan heb ik het vooral over het Stedelijk Museum. Daar hebben ze nooit veel interesse in mijn werk getoond. En ik ga niet bedelen, bovendien, het momentum is nu wel voorbij. Jammer voor mijn moeder, van origine Amsterdamse... Die heeft, geloof ik, nog altijd ambities, haha.’

Maar jij haalt er inmiddels je schouders over op?

‘Nou, ik moet je zeggen: dertig jaar geen tentoonstelling in Amsterdam, dat ga ik straks wel vieren.’

Zijn we uitgenodigd?

‘Zeker, moet je wel naar Den Haag. Daar krijg ik in 2019 een grote overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum en in het Fotomuseum. Ja, dat vind ik zelf dan ook wel weer grappig.

Dit interview verscheen in de Uitkrant juli/augustus 2016. Kijk voor een overzicht van de tientallen fotoseries die Erwin Olaf in ruim dertig jaar maakte op www.erwinolaf.com.

tekst Stijn Aerden
foto’s Peggy Kuiper | Cake Film & Photography via Phenster
3d-visualisatie Moritz Kerkmann
styling Pascal-Joël Weber | Angelique Hoorn Management 
haar/make-up Yokaw Pat | Angelique Hoorn Management