Omnibus

Amsterdam kent sinds 1839 een geregelde vorm van openbaar vervoer. In dat jaar ging de omnibus rijden: een grote koets voortgetrokken door een of enkele paarden. De omnibus bood plaats aan twaalf tot twintig personen en reed vaste trajecten op vaste tijden, tegen vaste tarieven. In 1873 ontstond het idee om de omnibussen op rails te laten rijden. Dit plan werd niet bepaald toegejuicht: men zag allerlei moeilijkheden en gevaren in de smalle Amsterdamse straten en op de grachten.

 

Steeg tussen Overtoom 373 en 375 met de voormalige stallen van de AOM, 1994

Eerste lijn

De initiatiefnemers trokken zich van de bezwaren niets aan en zetten door. In 1875 werden de eerste rails en rijtuigen besteld en werd de eerste lijn Leidscheplein-Plantage onder leiding van Van Gendt in drie maanden aangelegd. Op 2 juni was de feestelijke opening. Bij de eerste rit liep er al een wagon uit de rails, maar verder functioneerde de paardentram prima: de pessimisten kregen ongelijk en de Amsterdammers maakten goed gebruik van de tram.

 

Seinwachter van de paardentram van de AOM

Oudste

In 1877 werd remise 'Bremerlehe' in gebruik genomen. De gemeente nam in 1900 de paardentramlijnen en de bezittingen van de AOM over en het tramnet werd geëlektrificeerd. De remise werd verhuurd aan de Amsterdamsche Rijtuigen Maatschappij. In 2003 startte een omvangrijke verbouwing, waarna het complex een woon- en werkfunctie kreeg. Het is de oudste bewaard gebleven paardentramremise van Nederland.

 

Een paardentram, op de Haarlemmerweg bij Sloterdijk, 1913