Noodwoningen

Eind negentiende eeuw trokken boeren massaal naar de stad, vanwege de landbouwcrisis en de industriële revolutie. Het aantal inwoners van Amsterdam verdubbelde. De socialistische stadsbestuurders wilden verdere verkrotting tegengaan door kwalitatief goede huizen voor arbeiders te bouwen. Maar omdat het woningtekort zo nijpend was, bouwden ze alvast vier nooddorpen in Noord: Obelt of ‘Ericadorp’, dat eind jaren dertig weer werd afgebroken, Asterdorp, dat gesloopt werd in de jaren vijftig en Disteldorp en Vogeldorp.

 

Badhuis voorzijde, 1975

Tuinstadgedachte

De nooddorpen zijn goedkope voorlopers van de beroemde tuindorpen in Noord. De huizen hadden een voor- en achtertuin, er waren goede voorzieningen en veel groene ruimtes. Een opzichteres hield een oogje in het zeil. Zo controleerde ze bijvoorbeeld of de arme Vogeldorpers de planken uit de legkasten niet verstookten in de kachel.

 

Badhuisbeheerder aan het schoonmaken, 1978

Saamhorigheid

Sommigen schaamden zich voor hun arme wijkje, maar het ‘wij-zij-gevoel’ zorgde ook voor saamhorigheid. Met begrafenissen liep men met de kist langs alle huizen. Eén van de bewoners had een platenspeler, die hij door draden aan te leggen tegen een kleine vergoeding ‘deelde’ met andere bewoners.

Het voormalige Badhuis, 2008

Vrije vogels

Vogeldorp is vijf keer gerenoveerd. Meermaals waren er plannen om het af te breken. Het is te danken aan de actiegroep de ‘Vrije Vogels’ dat Vogeldorp en Disteldorp nog altijd bestaan. Het badhuis werd bij de laatste renovatie overbodig, omdat inmiddels iedereen een douche had. In 2009 opende het zijn deuren als eerste museum over de geschiedenis van Amsterdam-Noord.