Het lot van Elsje

Rembrandt tekende in 1664 het ter dood gebrachte dienstmeisje Elsje Christiaens, hangend op het galgenveld. De achttienjarige Deense was naar Amsterdam gereisd om te werken. Omdat ze haar pension niet kon betalen, kreeg ze ruzie met haar verhuurder, die ze in een opwelling doodde met een bijl. Elsje werd daarop publiekelijk gewurgd op de Dam, naar de Volewijck gevaren en daar boven de galgenput overgeleverd aan weer, wind en de hongerige vogels waarnaar de ‘Vogelenwijk’ vernoemd is.

 

Prent Tolhuis

Knekelveld

Het galgenveld was zowel afschrikwekkend als een vermakelijk uitje voor de zondagmiddag. Ouders namen hun kinderen mee om ze een moralistisch lesje te leren. Ze lieten zich over het IJ roeien om zich te vergapen aan de lijken.

 

Prent Galgenveld

Kinderboom

Opmerkelijk genoeg stond er volgens volksoverleveringen naast de gruwelijke galgenput een ‘Kinderboom’ met trossen onschuldige baby’tjes aan de takken. Op de Volewijck werd ieders geweten aangesproken: naast de verdorvenheid van misdadigers werd hier de zuivere onschuld van baby’s en de kans op een goed leven getoond. Het was een aansporing tot het leiden van een deugdzaam en eerbaar leven, ook al was men arm. Vanaf de takken riepen de pasgeborenen naar aanstaande ouders “Pluk mijn, pluk mijn, ik zal alle dagen zoet zijn!”.

 

Prent Galgenveld

Grafregel

Zo’n duizend misdadigers zijn boven de galgenput tentoongesteld, tot er in 1795 door nieuwe wetten een einde aan kwam. Ook misdadigers werden voortaan behoorlijk begraven.