Zeilschepen in het kanaal

De bloei van Buiksloot bereikte zijn hoogtepunt tussen 1825 en 1876, toen grote zeilschepen niet langer door de dichtgeslibde Zuiderzee naar de Noordzee voeren, maar door het dijkdorp via het Noordhollands Kanaal. Voor kapiteins in ruste was het de ideale woonplek: landelijk maar toch vlakbij Amsterdam, dat bereikbaar was met een veerpont.

Dijkhuizen, 1962

Voorname gevels

De vermogende kapiteins gaven aanzien aan het dorp. Ze bewoonden huizen met houten gevels die deden denken aan voorname grachtenpanden in Amsterdam. Sommigen hadden, zoals het vroeg-negentiende eeuwse huis op nummer 284, een chique stenen onderpui. Ook nummer 280, met een zeventiende-eeuwse, rijk gesneden gevel uit 1635 en een deuromlijsting uit de achttiende eeuw, zou een mooi voorbeeld kunnen zijn van zo’n kapiteinswoning. Al weet niemand meer helemaal zeker in welke woningen de kapiteins precies woonden.

 

Winter op de Buiksloterdijk

Het goedjaarseinde

Een typisch fenomeen bij Waterlandse huizen is het ‘goedjaarseinde’. Wie goed geboerd had, investeerde zijn geld in een uitbouw aan zij- of achterkant van zijn huis. Er zijn hiervan nog steeds veel voorbeelden te ontdekken aan de Buiksloter- en de Nieuwendammerdijk, dat ook ‘Kapiteinshemel’ wordt genoemd. Veel van deze grote woningen werden later bewoond door meerdere families: één voor, één boven en één achter. Het was algemeen bekend dat het in de achterwoningen het minst gerieflijk en altijd donker was, want deze lagen onderaan de dijk op het noorden.

 

Kapiteinshemel, 2008. Foto: E. van Eis, Stadsdeel Noord