Max Beckmann (1884-1950)

Op zijn vlucht uit nazi-Duitsland belandde de expressionistische kunstschilder Max Beckmann in Amsterdam. In deze woning, bestaande uit een kamer en suite met douche en een keukentje op de overloop en een atelier op zolder, verbleven Max Beckmann en zijn tweede echtgenote Mathilde (‘Quappi’) von Kaulbach van 1937 tot 1947. Beckmann vond Amsterdam een verrukkelijke stad en verkneukelde zich over het ‘vrolijke gekwetter’ van de inwoners. Hij zag zijn ballingschap hier echter vooral als een overgangsperiode op weg naar Parijs of de Verenigde Staten. Toch was het een vruchtbare periode, waarin hij ruim een derde van zijn oeuvre produceerde. Ook in de Hongerwinter van 1944, bij een ateliertemperatuur van acht graden werkte Beckmann door aan zijn schilderijen, tekeningen en schetsen van geliefde onderwerpen als theaterscènes en circusartiesten. Ook al had Beckmann bij Kunstzaal Van Lier, eveneens aan het Rokin, in 1938 een solotentoonstelling, het succes bleef uit. Deze omstandigheid maakte zijn vertrek uit Amsterdam onontkoombaar. Na de Bevrijding kon Max Beckmann eindelijk weg uit de ‘strijkplank’, zoals hij zijn ballingsoord noemde. Hij werkte nog drie jaar als kunstenaar en docent in Amerika, waar hij in 1950 overleed. In Nederlandse collecties is Beckmann slechts met drie schilderijen vertegenwoordigd waaronder het dubbelportret van de schilder en zijn vrouw in het Stedelijk Museum te Amsterdam.

 

Max Beckmann, portret uit het boek Die Realität der Träume in den Bildern uit 1984.