Cornelis Ketel (1548-1616)

Toen dit deel van de Oudezijds Voorburgwal nog de Fluwelenburgwal werd genoemd, vanwege de deftige bewoners, woonde op nummer 69-71 de kunstschilder Cornelis Ketel met zijn gezin. Verschillende opdrachtgevers en collega-kunstenaars woonden in de buurt. Ketels wieg stond in Gouda, waar hij in 1548 was geboren als buitenechtelijk kind van Elisabeth Jacobsdr Ketel. Zijn vader was de kunstverzamelaar Govert Jansz van Proyen. Op jeugdige leeftijd kreeg Cornelis schilderlessen van zijn gelijknamige oom, vanaf zijn achttiende van Anthonie van Blokland in Delft. Na een periode in Frankrijk verwierf Ketel grote faam als portretschilder in Londen, hetgeen in 1578 resulteerde in een opdracht van koningin Elizabeth I. In 1581 keerde hij met zijn vrouw en kinderen terug naar Holland en vestigde zich in Amsterdam. Zij huurden eerst een huis ten noorden van de Oude Kerk en kochten in 1593 het pand aan de Oudezijds Voorburgwal.

Ketel had voornamelijk klanten onder de welvarende regentenelite, dikwijls verenigd in schuttersgilden. Vanuit deze klantenkring zou Ketel het genre van het schuttersstuk, waartoe ook de Nachtwacht van Rembrandt behoort, een belangrijke impuls geven Bekend van zijn hand is onder andere de schutterscompagnie van kapitein Dirck Jacobsz Rosecrans.

In 1599 ontwikkelde Ketel een aparte schildertechniek, met vingers, duim en zelfs met zijn tenen. Volgens liefhebbers zouden deze ‘kwastloos’ geschilderde portretten warmer en gladder overkomen, maar velen vonden het bespottelijk. Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde Cornelis Ketel met een Amsterdamse. De schilder overleed in 1616.

 

Jacob Matham maakte deze gravure naar een geschilderd zelfportret van Cornelis Ketel, ca. 1596.